Umberto Eco 1995:
Europa en de volmaakte taal.
Amsterdam. ISBN: 90-5157-187-9
In dit boek gaat
Eco op zoek naar de wortels van een mogelijk gemeenschappelijke taal.
De Vlaamse
recensent Luc Devoldere schrijft over dit werk het volgende:
JE hoort eurokraten geregeld spreken over de
noodzakelijkheid van werktalen in de Europese Unie. En pragmatische jongeren
over de gemakken van één universeel kommunikatiemiddel, dat dan meestal het
Engels is.
Wie ooit een internationaal kongres heeft meegemaakt, kent de zegeningen van dat
universeel kommunikatiemiddel wanneer het wordt gebruikt door een Let of een
Italiaan, en mediteert ontmoedigd over de straf voor de menselijke hoogmoed: de
vernietiging van de toren van Babel en de daaruit volgende spraakverwarring.
Leven na Babel is een vloek.
Weinigen zullen bij die meditatie nog de vraag stellen naar de oertaal van de
mensheid, gesproken vóór Babel; naar de taal die Adam sprak in het Aards
Paradijs en die hij rechtstreeks van God had gekregen.
Het is nochtans een vraag die onze kultuur diepgaand heeft beïnvloed.
Umberto Eco wijdde een erudiet boek aan de mislukte zoektocht naar de volmaakte
taal in de Europese beschaving. Het verscheen in de serie ,,Europese contouren”,
onder redaktie van Jacques Le Goff.
Misschien benadrukt Eco te weinig waarom die zoektocht mislukt is en wat ons nu
te doen staat. Maar met des te meer gedrevenheid voert hij de lezer door een
wondere geschiedenis. Kabbalistische hokus-pokus, filozofische apriori-talen,
hulptalen die zijn gebaseerd op een syntese van bestaande natuurlijke talen
zoals: het Volapuk, het Esperanto, het Latino sine flexione (een vereenvoudigd
Latijn van de wiskundige Peano) – ze passeren allemaal de revue.
De auteur heeft duidelijk een zwak voor expedities, georganizeerd door de
wondere wereld van waanzinnige teorieën, knotsgekke etymologieën en fantasmen,
maar dat wisten we al. Dit boek lezen is zoals spelregels leren van onmogelijke
sporten die niemand ooit zal beoefenen. Maar de auteur beweert dat de studie van
oude en mislukte utopische projekten ons behoedt voor het maken van nieuwe
fouten. Laat het ons hopen.
DE meeste kerkvaders beweerden dat
de taal die Adam van God voor het eerste benoemen van de dingen had gekregen,
het Hebreeuws was.
Guillaume Postel (1510–1581), een erudiete raadsman van de Franse koningen,
geloofde nog dat het in ere herstellen van het Hebreeuws als gemeenschappelijke
taal de wereldvrede zou bevorderen.
Dat moest dan wel gebeuren onder auspiciën van de Franse koning. Want die
stamde rechtsreeks af van Noach, aangezien Gomer, de zoon van Jafeth, de
stamvader zou zijn van de Kelten en de Galliërs!
Omdat Frans I niet veel moest hebben van deze geëxalteerde geest, zocht Postel
steun bij Ignatius van Loyola. Maar die moest als Spanjaard niet veel weten van
een Franse baas en Postel werd al snel uit de Sociëteit gezet.
Deze anekdote maakt duidelijk hoe etnocentrisch alle pogingen bleven om met
behulp van een universele, ,,volmaakte” taal de wereld te redden.
Toch was men in de Renaissance al gaan twijfelen aan het primaat van het
Hebreeuws. De ontdekkingsreizen brachten de Europeanen in kontakt met
eerbiedwaardige, oeroude beschavingen zoals de Chinese.
De joodse beschaving en met haar, impliciet, de heilige taal werden onttroond
met de stelling dat er mensen voor Adam hadden bestaan, die niet door erfzonde
waren bezoedeld of door een zondvloed geteisterd.
De Chinezen zouden niet hebben meegewerkt aan de toren van Babel, waardoor de
spraakverwarring aan hen was voorbijgegaan. Daarmee was het hek van de dam.
De Zweden schoven nu het Zweeds naar voor, Luther vond dat het Duits het dichtst
bij God stond (dat moest wel als Luther de Bijbel erin vertaalde) en ene Jan van
Gorp (Goropius Becanus) schreef in zijn Origines Antwerpianae (1569)
dat de taal van Adam het meest benaderd wordt door het... Antwerps.
Nee, dit is geen grap. Je vindt het allemaal bij Eco.
ANAF de Verlichting begon men de ideale taal niet meer in het verleden te zoeken,
maar die zelf te konstrueren. De volmaakte ,,filozofische” taal zou dwalingen
ontmaskeren en drogbeelden elimineren. Ze bezat een ,,ideeëngrammatika”,
onafhankelijk van de natuurlijke talen en a priori gepostuleerd.
Toch is de geschiedenis van alle klassifikaties en taxonomieën die van hun
willekeur, zoals Borges wist. Elke kultuur organizeert zijn konceptueel
universum anders. De Aristotelisch-scholastieke traditie zwoer eeuwen lang bij
het primaat van het zelfstandig naamwoord boven het werkwoord. Daarom hebben wij
een filozofische traditie van substanties waar pas in een later stadium
handelingen aan worden toegeschreven.
De vooronderstelling van het geloof in een volmaakte taal is het axioma dat taal
het wezen van de werkelijkheid adekwaat kan uitdrukken, dat er een conformiteit
bestaat tussen beiden: de taal is de spiegel van de wereld. Deze
afbeeldingsteorie is nog te vinden bij de jonge Wittgenstein.
Deze vooronderstelling lijkt de gesekularizeerde versie te zijn van het geloof
in de taal als bron van openbaring, als uitdrukking van een rechtstreekse
relatie tussen de mens en het heilige: Adam heeft van God de taal gekregen die
het wezen van de dingen uitspreekt, en wij zijn die taal kwijt. De filozofen
schaften God af, maar hun geloof in de taal, die de werkelijkheid volmaakt
afspiegelt, bleef lang ongeschokt. Die volmaakte taal moest enkel nog worden
gemaakt.
Hier knelt het schoentje. De hele zoektocht naar de volmaakte taal berust op
deze verkeerde vooronderstelling. Er bestaat namelijk geen conformiteit tussen
taal en werkelijkheid. Taal drukt het wezen van de werkelijkheid niet uit. De
Siciliaanse sofist Gorgias wees in de vijfde eeuw voor Kristus al op het
verschil tussen woorden en dingen: ze zijn van een andere orde. Onze woorden
vallen niet samen met de dingen en zijn daarenboven niet eenduidig. De
troebelheid van de taal is haar wezenskenmerk.
Ook Wittgenstein gaf zijn afbeeldingsteorie op en beschreef uiteindelijk alleen
nog ,,taalspelen”: hoe wordt taal in een bepaalde kontekst gebruikt?
HET zoeken naar een volmaakte taal
veronderstelt de gedachte dat de eigen taal dat niet is”, schrijft Eco. En als
het nu eens wel zo was? Als de enige volmaakte taal... de eigen taal was? Ze is
ons overkomen. Het is een huis dat we niet hebben gekozen, maar we zitten ermee
en erin.
Eigen taal eerst dus. Omdat we geen keuze hebben. En omdat op de tweede plaats
alle andere talen zullen komen, die we zoveel mogelijk in stand zullen houden
door ze te leren. Want ,,eigen taal eerst” geldt voor alle talen. ,,Elke taal
vormt een bepaald model van het universum, een semiotisch systeem om de wereld
te begrijpen, en als we over vierduizend verschillende manieren beschikken om de
wereld te beschrijven, maakt dit ons rijker”, aldus Ivanov.
Europa heeft de zoektocht naar een volmaakte taal dus opgegeven. Als het trouw
wil blijven aan zichzelf, zal het nu de droom van de zuiverheid, die in wezen
totalitair is, moeten vervangen door een verdediging van het gemengde, het
troebele en onvolmaakte.
Achter die droom doemt de totalitaire samenleving op, maakbaar en volmaakt
kontroleerbaar. Misschien is de volmaakte, universele en unieke taal een vloek
en is de verwarrende veelheid van idiomen die de werkelijkheid herscheppen een
zegen. De engelen zwijgen omdat hun kommunikatie met elkaar en met God perfekt
en dus steriel is. Omdat onze kommunikatie amechtig verloopt, zullen we blijven
spreken en vruchtbaar zijn.
Eco opent zijn boek met een anekdote over keizer Frederik II die zijn hele
studie samenvat. De grote Hohenstaufen van de dertiende eeuw wou, zo vertelt de
kroniekschrijver, onderzoeken welke taal kinderen hadden als ze opgroeien zonder
ooit met iemand te hebben kunnen spreken. ,,En daarom gaf hij de minnen en de
voedsters opdracht de kinderen te zogen en niet tegen ze te praten. Hij wilde
namelijk weten of ze Hebreeuws spraken, dat de eerste taal was, of Grieks, of
Latijn, of Arabisch; of dat ze misschien gewoon de taal van de ouders spraken
uit wie ze waren geboren. Maar alle moeite was vergeefs, want de zuigelingen of
kinderen stierven allen.”
bron:
http://users.pandora.be/koertvandevelde/internet/vumeco.htm
(24 november 2003; RJ)