De twee talen van
Estland
In de
eerste decennia van de 15e eeuw ontstonden op het grondgebied van de
huidige republiek Estland (Est. Eesti) twee schrijftalen: het Noord-Estisch (Eesti keel),
gebaseerd op het dialect van Tallinn en omstreken, en het Zuid-Estisch (Võro
kiil of Võro-Seto), geënt op het dialect van de Zuid-Estische
universiteitsstad Tartu en omgeving. Deze ‘taalpolarisering’ is met name te
wijten aan de grote, zowel morfologische als fonologische, verschillen tussen de
dialecten in het noorden en het zuiden van het gebied alsook aan de
politiek-religieuze situatie waarin het land in deze tijd verkeerde: het
noordelijk deel (Zwe. Estland) maakte van 1561 tot 1710 deel uit van het
protestantse Zweden, kende echter nog steeds een invloedrijke Duitstalige elite
daterend uit de tijd dat een Duitse ridderorde, de Orde van de Zwaardbroeders,
het land bezette (1200-1561). Het zuidelijke deel daarentegen, Lijfland geheten,
dat een groot deel van het huidige Noord-Letland omvatte, viel onder het
katholieke Polen.
Beide talen zouden een afzonderlijke literatuur ontwikkelen. Het oudst bewaard
gebleven werk in het Zuid-Estisch is de zgn. Agenda Parva uit 1622, een
handboek voor de zielenzorg; een eerste grammatica verscheen in Johannes
Gutslaffs Observationes Grammaticæ circa linguam Esthonicam (1648). Een
aantal jaren daarvoor was Heinrich Stahls Anführung zu der Ehstnischen
Sprach, de eerste grammatica van het Noord-Estisch, verschenen (1637). Een
eerste complete Bijbelvertaling verscheen in 1686 in het Zuid-Estisch; in 1739
verscheen de Noord-Estische pendant.
In het midden van de 17e eeuw werd van regeringszijde besloten, dat
beide talen verenigd dienden te worden zodat Estland één schrijftaal zou
krijgen. Dit ging echter niet zonder slag of stoot en een regelrechte polemiek
was het gevolg. In deze door sommige wetenschappers als ‘taaloorlog’
opgevatte discussie, zou het tussen 1813 en 1832 uitgegeven tijdschrift Beiträge
zur Kenntnis der ehstnischen Sprache een belangrijke rol spelen. Pogingen om
tot één taalvorm te komen, mislukten jammerlijk. Uiteindelijk zou het
Noord-Estisch de meer invloedrijke en succesvolle taal blijken en de enige
officiële (schrijf)taal van Estland worden. Eén van de belangrijkste redenen
hiervoor was, dat bijna 75% van de Esten in het, economisch belangrijkere,
noorden van het land woonde en dus een Noord-Estisch dialect sprak. Bovendien
was het gebruik van het Zuid-Estisch als literair medium minder breed dan van
het Noord-Estisch. Een definitieve doorbraak kwam toen de eerste kranten in
Estland verschenen: Perno postimees en Tallorahwa postimees
(1857). Beide dagbladen verschenen namelijk in het Noord-Estisch, ook de tweede,
de in Zuid-Estland gevestigde krant.
In de hedendaagse dialecten van Estland leeft het Zuid-Estisch nog steeds voort.
Gezien het feit, dat een steeds groter wordende groep wetenschappers meent dat
het Võro als afzonderlijke Oostzeefinse taal gezien dient te worden, is de
benaming ‘Zuid-Estisch’ feitelijk onjuist. Zelf noemen de sprekers hun taal Võro-Seto
ter aanduiding van het feit, dat ook bewoners van het aangrenzende gebied in
Rusland, de Seto, de taal spreken. Taal en cultuur van de Võro worden beschermd
en gevoed met name door het in 1988 Võro Instituut’ en middels de zgn.
suvõülikuul, zomercursussen die de literatuur, volksmuziek en
geschiedenis van het gebied tot onderwerp hebben. Het levende karakter van de
taal moge wel blijken uit het feit, dat Estland in 2004 een bijdrage in het Võro
afvaardigde naar het Eurovisie Songfestival.
Volgens de meest recente schattingen (1990) kent het Võro-Seto ongeveer 50.000
sprekers. (RvE)
literatuur:
— Elswijk, R.J.J.H. van, 2002, “Eesti keel vs.
Võro kiil? – een geschiedschrijving van de Zuid-Estische c.q. Võro-Seto
grammaticæ”, De Suffix – Tijdschrift voor Finoegristiek
I (jg. VII), 7-9, Groningen, Rijksuniversiteit Groningen.
— Raun, T.U., 20012, Estonia and the Estonians, Stanford, Stanford University.