Woordgeslachten

Waarom sommige woorden vrouwelijk, mannelijk of onzijdig zijn is soms eenvoudig (vrouw, koe = vrouwelijk; man, stier = mannelijk), maar meestal onbegrijpelijk. Het lijkt erop dat het één van de grillen van taalontwikkeling door de eeuwen is en dat vaststelling van wat vrouwelijk al dan niet mannelijk is, gebaseerd is op willekeur.

Op de website van Onze Taal geeft Marc van Oostendorp echter in antwoord op een door een lezer ingestuurde vraag de volgende benadering van het vraagstuk. “De onderscheiding in drie woordgeslachten berust op de leer van Aristoteles; ook de benamingen ‘mannelijk’, ‘vrouwelijk’ en ‘onzijdig’ gaan op hem terug. Bij de vaststelling van de geslachten werd onder andere nagegaan of het woord een zaak of een persoon aanduidde: de oorsprong van het geslacht werd in de betekenis gezocht. Ook kende men aan namen van sommige wezens en voorwerpen het mannelijk of vrouwelijk geslacht toe naargelang ze enige overeenkomst schenen te hebben met wat in de natuur het mannelijk of vrouwelijke geslacht kenmerkte. W.G. Brill zegt in zijn Hollandsche Spraakleer (1846) bijvoorbeeld: “Mannelijk zijn desgelijks de namen der hooge en forsche boomen, vrouwelijk die der fijnere en kleinere heesters en kruiden.” Later wordt ook de vorm van het woord een beginsel van geslachtstoekenning. Zo kregen werkwoordsstammen zonder achtervoegsel (beet, gang, worp) wegens hun ‘oorspronkelijkheid’ en ‘energie’ het mannelijk geslacht. In de meeste talen is het woordgeslacht meegekomen met het woord toen het werd overgenomen uit een andere taal. Daarom is het Franse woord soleil even mannelijk als het Latijnse sol.”

bron: www.onzetaal.nl (1 april 2004, TH)