Belangrijkste punten uit ‘Gotische Grammatik’

INLEIDING

1 De Goten en hun taal

Vroeg in de 3e eeuw splitste het volk der Goten zich in twee groepen:

De vertaling hunner namen berust op volksmythologie. Het woord Visi- heeft met geen relatie met het woord west.

Ook belandde er een klein deel der Ostrogoten op De Krim, waar ze tot 1779 in kerkelijke stukken als Goten omschreven werden. Deze bevolkingsgroep sprak vermoedelijk een eigen taal; het Krimgotisch. Dit vermoeden wordt gevoed door een berichtgeving uit 1554, afkomstig van de Vlaamse geleerde en diplomaat Ogier Ghislain de Busbecq (1522-1592). Hij had met een tweetal bewoners uit deze streek gesproken en had een lijst met 86 woorden opgesteld, waarvan de meeste woorden een Germaans karakter hebben. Doch hieromtrent blijft voorzichtigheid geboden.

De Goten behoren, samen met o.a. Wandalen, Gepiden, Skieren en Heruler tot een Germaanse stam die de Wandilische of Gotische Groep genoemd wordt. Hun talen zouden zeer verwant zijn aan elkaar, doch alleen van het Gotisch zijn grotere hoeveelheden bewaard gebleven. Van de overige talen weet men alleen een aantal eigennamen in nietgermaanse handschriften.

Deze groep wordt ook wel betiteld als Oostgermanen. Dit ter onderscheiding van de Noord- en Westgermanen.


2 De bronnen der Gotische taal

Van de taal der Oostgoten weten we bitter weinig; slechts een aantal eigennamen is in nietgermaanse bronnen overgeleverd. Van de Westgoten daarentegen weten we veel meer. Tamelijk veel kleine stukken in het Westgotisch zijn overgeleverd, maar er is ook een groot, omvangrijk werk te vinden; een aantal fragmenten van een bijbelvertaling vanuit het Grieks, die zeer waarschijnlijk toe te schrijven vallen aan de Westgotische bisschop Wulfila.

Wulfila werd geboren omstreeks 311 en stierf in Constantinopel in 382 of 383. In 341 werd hij tot bisschop van een groep Westgoten gewijd, die, wegens vervolgingen door heidense Westgoten, in 348 bescherming vond bij keizer Constantius en in zijn Romeinse rijk werden opgenomen. Ze werd een woonplaats toebedeeld in de buurt van de Donau, in Niedermösien. Daarom worden ze ook wel Moeso-goten, of Goti minores, genoemd.

De fragmenten van Wulfila’s bijbelvertaling zijn overgeleverd in de volgende handschriften:

  1. Codex Argenteus

Dit werk wordt tegenwoordig bewaard in de universiteitsbibliotheek van het Zweedse Uppsala. Het bevatte oorspronkelijk 336 pagina’s die de vier evangeliën weergeven, in de zgn. westelijke volgorde (Mattheus, Johannes, Lucas, Marcus). Nu zijn er nog 187 pagina’s over. Het perkament is purperkleurig, de letters zijn zilverkleurig, waarvan de initialen goudkleurig zijn. De tekst is door twee schrijvers geschreven, die waarschijnlijk westgoten waren die in Frankrijk woonden; Matth. en Joh. door Hand 1, Luc. en Marc. door Hand 2. Vooral Lucas kent vele afwijkende vormen, waarvan men eerst dacht dat ze Oostgotische invloeden waren. De eerste druk van deze Codex vond plaats in Dordrecht, in 1665.

  1. Codex Carolinus
  2. Codex Gissensis
  3. Codices Ambrosiani
  4. Codex Taurinensis

Verdere fragmenten zijn:

  1. Skeireins aiwaggeljons þairh Iohannen
  2. Deel van Gotische Kalender
  3. Twee verkoopsoorkondes
  4. Codex Vindobonensis
  5. Gotica Veronensia
  6. Runeninscripties
  7. Eigennamen in Griekse en Latijnse bronnen
  8. Gotische woorden in het gedicht ‘De conviviis barbaris’

 

KLANKLEER

1 Het schrift

Uit Griekse bronnen uit de 4e/5e eeuw, van de kerkhistorici Philostorgius Sokrates en Sozomenos is bekend dat de Gotische bisschop Wulfila een eigen alfabet en schrift gemaakt heeft.

Dit schrift laat zich onderverdelen in twee typen, die gevormd worden door A.) aanwending van de nasaalafkorting, en B.) weergave der s.

Het ene type gebruikt de Griekse nasaalafkorting en heeft een s die het Sigma-teken als oorsprong heeft, en het andere type gebruikt de Latijnse nasaalafkorting en heeft een Latijnse s. Men spreekt aldus van:

Het Σ-type lijkt het meest op Wulfila’s alfabet en wordt als het oudste beschouwd. Het S-tyoe heeft een sterk, jonge, Latijnse invloed.

De nomina sacra worden afgekort. Dit zijn: *guþ, ïesus, *xristus en frauja.

Sg.

N.

ius

xus

fa

 

V.

iu

xu

 

 

G.

gþs

iuis

xaus

fins

 

D.

gþa

iua,iu

xau, xu

fin

 

A.

iu

xu, xau

fan, fn


2 De vocalen

De vocalen geven uitsluitend de vocaalkwaliteit aan. De vocalen zijn:

kort

lang

a

â

e

ê

i

ei

o

ô

u

û

Verder zijn er nog de diftong iu, en de klanken ai en au. Deze worden verondersteld monoftongen te zijn, hoewel er ook een aantal onderzoekers meent dat hiermee zowel monoftongen als diftongen kunnen worden aangegeven.


3 De consonanten

Deze worden ingedeeld in sonore consonanten en spiranten.

De sonore consonanten zijn: de halfvocalen w en j, de liqiudae l en r en de nasalen m en n.

De spiranten zijn: de labialen p, f en b, de gutturalen k, q, h,   en g, de dentalen t, þ, d, s, en z.


4 De uitspraak

De uitspraak van het Gotisch wordt gebaseerd op:

  1. De uitspraak van het Grieks in de 4e eeuw.
  2. De weergave van Griekse en Latijnse woorden in de Gotische handschriften.
  3. De weergave van Gotische namen in Griekse en Latijnse handschriften.
  4. De klankontwikkeling in andere Germaanse dialecten.
  5. Variabelen in de weergave van woorden in verschillende Gotische teksten, alsmede grammaticale veerschillen.
  6. De methoden van Sievers’ intonatieonderzoeken.

FLEXIELEER

1 De sterke (vocalische) declinatie der substantiva

1.1 De a-declinatie

De a-declinatie bestaat slechts uit masculina en neutra. Er worden a-stammen, ja-stammen en wa-stammen onderscheiden.

1.1.1 Masculina

Paradigmata der masculina: a-stammen; dags, hlaifs. Ja-stammen; haírdeis, harjis.

Sing.

N.

dags

hlaifs

haírdeis

harjis

 

G.

dagis

hlaibis

haírdeis

harjis

 

D.

daga

hlaiba

haírdja

harja

 

A.

dag

hlaif

haírdi

 

 

V.

dag

hlaif

haírdi

 

 

 

 

 

 

 

Plur.

N.

dagôs

hlaibôs

haírdjôs

harjôs

 

G.

dagê

hlaibê

haírdjê

harjê

 

D.

dagam

hlaibam

haírdjam

harjam

 

A.

dagans

hlaibans

haírdjans

harjans

1.1.2 Neutra  

De paradigmata der neutra: a-stammen; waúrd, haubiþ. Wa-stammen; *triu. Ja-stammen; kuni.

Sing.

N.

waúrd

haubiþ

triu

kuni

 

G.

waúrdis

haubidis

triwis

kunjis

 

D.

waúrda

haubida

triwa

kunja

 

A.

waúrd

haubiþ

triu

kuni

 

 

 

 

 

 

Plur.

N.

waúrda

haubida

triwa

kunja

 

G.

waúrdê

haubidê

triwê

kunjê

 

D.

waúrdam

haubidam

triwam

kunjam

 

A.

waúrda

haubida

triwa

kunja

1.2 De ô-declinatie

De ô-declinatie bestaat uitsluitend uit feminina. Er worden ô-stammen en -stammen onderscheiden.

1.2.1 Feminina

De paradigmata der feminina: ô-stammen; giba. Jô-stammen; bandi, mawi.

Sing.

N.

giba

bandi

mawi

 

G.

gibôs

bandjôs

maujôs

 

D.

gibai

bandjai

maujai

 

A.

giba

bandja

mauja

 

 

 

 

 

Plur.

N.

gibôs

bandjôs

maujôs

 

G.

gibô

bandjô

maujô

 

D.

gibôm

bandjôm

maujôm

 

A.

gibôs

bandjôs

maujôs

1.3 De i-declinatie  

De i-declinatie bestaat slechts uit masculina en feminina.

1.3.1 Masculina

Het paradigma der masculina: *balgs.

Sing.

N.

balgs

Plur.

N.

balgeis

 

G.

balgis

 

G.

balgê

 

D.

balga

 

D.

balgim

 

A.

balg

 

A.

balgins

 

V.

balg

 

 

 

1.3.2 Feminina

Het paradigma der feminina: ansts.

Sing.

N.

ansts

Plur.

N.

ansteis

 

G.

anstais

 

G.

anstê

 

D.

anstai

 

D.

anstim

 

A.

anst

 

A.

anstins

1.4 De u-declinatie  

De u-declinatie bestaat uit zowel masculina als feminina als neutra.

1.4.1 Masculina en feminina

De paradigmata van deze twee zijn volledig gelijk. Hier wordt behandeld: sunus.

Sing.

N.

sunus

(sunaus)

Plur.

N.

sunjus

 

G.

sunaus

(sunus)

 

G.

suniwê

 

D.

sunau

(sunu)

 

D.

sunum

 

A.

sunu

(sunau)

 

A.

sununs

 

V.

sunu

sunau

 

 

 

1.4.2 Neutra

Hiervan is alleen faíhu overgeleverd, en wel de singularis.

Sing.

N.

faíhu

 

G.

 

 

D.

faíhau

 

A.

faíhu


2  De zwakke (consonantische) declinatie der substantiva

2.1 De n-declinatie  

De n-declinatie bestaat uit zowel masculina als feminina als neutra.

2.1.2 Masculina

Paradigma: guma.

Sing.

N.

guma

Plur.

N.

gumans

 

G.

gumins

 

G.

gumanê

 

D.

gumin

 

D.

gumam

 

A.

guman

 

A.

gumans

2.1.3 Neutra 

Paradigma: haírtô.

Sing.

N.

haírtô

Plur.

N.

haírtôna

 

G.

haírtins

 

G.

haírtanê

 

D.

haírtin

 

D.

haírtam

 

A.

haírtô

 

A.

haírtôna

2.1.4 Feminina

De feminina worden onderverdeeld in twee klassen: de -ôn-stam en de -ein-stam.

Paradigmata: tuggô en managei.

Sing.

N.

tuggô

managei

 

G.

tuggôns

manageins

 

D.

tuggôn

managein

 

A.

tuggôn

managein

 

 

 

 

Plur.

N.

tuggôns

manageins

 

G.

tuggônô

manageinô

 

D.

tuggôm

manageim

 

A.

tuggôns

manageins

3 Resten van andere consonantische klassen

3.1 Verwantschapsnamen

Verwantschapsnamen op -r: brôþar, fadar, dáuhtar, swistar, worden volledig hetzelfde geflecteerd. Paradigama: brôþar.

Sing.

N.

brôþar

Plur.

N.

brôþrjus

 

G.

brôþrs

 

G.

brôþrê

 

D.

brôþr

 

D.

Brôþrum

 

A.

brôþar

 

A.

brôþruns

3.2 -nd-stam/participia presentia

Hiertoe behoren alle oorspronkelijke participia presentia, voor sterke en zwakke werkwoorden. Doch deze worden in het Gotisch als zwakke adjectieven vervoegd, doch de feminina eindigen op -ei-. Slechts een klein aantal heeft de oude vervoeging bewaard. Paradigma: gibands.

 

 

Mask.

Neutr

Fem.

Sing.

N.

gibanda/gibands

gibandô

gibandei

 

G.

gibandins

gibandins

gibandeins

 

D.

gibandin

gibandin

gibandein

 

A.

gibandan

gibandô

gibandein

 

 

 

 

 

Plur

N.

gibandans

gibandôna

gibandeins

 

G.

gibandanê

gibandanê

gibandeinô

 

D.

gibandanam

gibandanam

gibandeim

 

A.

gibandans

gibandôna

gibandeins

3.2.1 Participia preteria

Deze worden zowel sterk als zwak gedeclineerd, volgens de declinatie der adjectieven. Sterke en zwakke werkwoorden.

Sterk ww.: giban

Sterke dec

M.

gibans

N.

giban

gibanata

F.

gibana

Zwak dec.

 

gibana

 

giban

gibanô

 

gibanô

Zwak ww.: nasjan

Sterke dec

M.

nasiþs

N.

nasiþ

nasidata

F.

nasida

Zwak dec.

 

nasida

 

nasidô

 

 

nasidô

3.3 -s-stam

Deze is opgegaan in de a-declinatie.

3.4 Enige masculina en feminina

Paradigmata: báurgs en manna.

Sing.

N.

báurgs

Plur.

N.

báurgs

 

G.

báurgs

 

G.

báurgê

 

D.

báurg

 

D.

báurgim

 

A.

báurg

 

A.

báurgs

 

Sing.

N.

manna

Plur.

N.

mans

mannans

 

G.

mans

 

G.

mannê

mannê

 

D.

mann

 

D.

mannam

mannam

 

A.

mannan

 

A.

mans

mannans


4 Declinatie der adjectiva 

In het Gotisch wordt het adjectief zowel sterk als zwak gedeclineerd. De zwakke vorm staat na de pronomina sa, en þata. De sterke vorm wordt in alle andere posities gebruikt, vooral bij predicatief gebruik. Bij attributief gebruik alleen als daar geen verwijzend pronomen bij staat.

4.1 Het sterke adjectief 

Dit wordt vervoegd naar de volgende declinaties, welke in geslachtelijk gebruik gedeeltelijk overeenstemmen met de declinaties der substantieven: a-declinatie (masc./neutr), ô-declinatie (fem.), ja-/jô-stammen als onderafleidingen, analoog aan de hierbij behorende substantieven. Verder zijn er nog adjectieven die de i-declinatie of de u-declinatie volgen.

4.1.2 De a-/ô-declinatie

Paradigma: blinds.

 

 

Masc.

Neutr.

 

Fem.

Sing.

N.

blinds

blinds

blindata

blinda

 

G.

blindis

blindis

 

blindaizôs

 

D.

blindamma

blindamma

 

blindai

 

A.

blindana

blind

blindata

blinda

 

 

 

 

 

 

Plur.

N.

blindai

blinda

 

blindôs

 

G.

blindaizê

blindaizê

 

blinds

 

D.

blindaim

blindaim

 

blinds

 

A.

blindans

blinds

 

blinds

4.1.3 De ja-/jô-declinatie

Deze is in bijna alle gevallen gelijk aan de a-/ô-declinatie.

4.1.4 De i-declanatie

Paradigma: hrains.

 

 

Masc.

Neutr.

Fem.

Sing.

N.

hrains

hrain

hrains

 

G.

hrainis

hrainis

 

 

D.

hrainjamma

hrainjamma

hrainjai

 

A.

hrainjanna

hrain

hrainja

 

 

 

 

 

Plur.

N.

hrainjai

hrainja

hrainjôs

 

G.

hrainjaizê

hrainjaizê

hrainjaizô

 

D.

hrainjaim

hrainjaim

hrainjaim

 

A.

hrainjans

hrainja

hrainjôs

4.1.5 De u-declinatie

Paradigma: hardus.

 

 

Masc.

Neutr.

 

Fem.

Sing.

N.

hardus

hardu

hardjata

hardus

 

G.

 

 

 

 

 

D.

 

 

 

 

 

A.

hardjana

hardu

hardjata

hardja

 

 

 

 

 

 

Plur.

N.

hardjai

hardja

 

hardjôs

 

G.

hardjaizê

hardjaizê

 

hardjaizô

 

D.

hardjaim

hardjaim

 

hardjaim

 

A.

hardjans

hardja

 

hardjôs


5 Het zwakke adjectief 

Alle zwakke adjectieven gaan volgens de volgende declinatie:

Paradigma: blinda.

 

 

Masc.

Neutr.

Fem.

Sing.

N.

blinda

blindô

blindô

 

G.

blindins

blindins

blindôns

 

D.

blindin

blindin

blindôn

 

A.

blindan

blindô

blindôn

 

 

 

 

 

Plur.

N.

blindans

blinda

blindôns

 

G.

blindanê

blindanê

blindônô

 

D.

blindam

blindam

blindôm

 

A.

blindans

blindôna

blindôns


6 Conjungatie 

6.1 Sterke werkwoorden

Het preteritum der sterke werkwoorden kan op de volgende manieren gevormd worden:

1.       Door ablaut: binda, band.

2.       Door reduplicatie: halda, haíhald.

3.       Door ablaut+reduplicatie: lêta, laílôt.

De ablautende werkwoorden worden onderverdeeld in 6 klassen:

 

Gehele presens

Sing. ind. pret.

Du./Pl. ind. pret.

Part. pret.

1.

ei

ái

i

i

2.

iu

áu

u

u

3.

i

a

u

u

4.

i

a

ê

u

5.

i

a

ê

i

6.

a

 

ô

ô

a

6.2 Zwakke werkwoorden

Het preteritum van zwakke werkwoorden wordt gevormd met behulp van een suffix, welke begint met een dentaal; *nasja, *nasida.

De zwakke werkwoorden zijn afgeleid van substantieven. Ze worden naar afleidingssuffix, zoals dat zich laat zien in het preteritum, ingedeeld in 4 klassen:

Klasse

Suffix

1. sing. pres.

1. sing. pret.

conjungatie

1.

i

*nasja

*nasida

-jan

2.

ô

salbô

salbôda

-ôn

3.

ai

haba

habaida

-an

4.

*fullna

*fullnôda

-nan



Uit: Braune, Wilhelm, & Ebbinghaus, Ernst A. 198119: Gotische Grammatik: mit Lesestucken und Wörterverzeichnis. Tübingen.