James Joyce
2002: Finnegans Wake. Amsterdam. ISBN:
90-253-2279-4
Eindelijk is het meest onleesbare
boek ooit op geniale en zeer creatieve wijze vertaald uit het Engels naar het
Nederlands door meestervertalers Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes.
Criticus Piet Meeuse
schrijft over deze vertaling in het NRC
Handelsblad het volgende:
Lang gold James Joyce’s Finnegans
Wake als ontoegankelijk en dus als onvertaalbaar: een duister monument van
verbale acrobatiek. Toch is nu na 63 jaar een integrale Nederlandse vertaling
verschenen. En hoe is het mogelijk, die is nog leesbaar ook. Dat moet gevierd
worden.
Hiep hype
hoerara! Eindelijk is Finnegan wakker geworden in het Nederlands. Het
onleesbaarste meesterwerk van de twintigste eeuw is vertaald, en dat is een
hoeraatje waard. Want behalve als onleesbaar geldt Finnegans Wake ook als
onvertaalbaar: een duister monument van verbale acrobatiek, verwoestende humor
en taalmuziek.
Sinds 1939 rijst
het magnum opus van James Joyce als een ongenaakbare toren van Babel op
in het literaire landschap van de twintigste eeuw. Eerbiedig bewonderd op
afstand, nurks gemeden door iedereen die graag weet wat hij leest, of
nieuwsgierig besnuffeld door wie er iets meer van wil weten. Maar slechts zelden
van kaft tot kaft gelezen, door enkelingen die er een proefschrift uit peuren,
of die er het literaire equivalent van een LSD-trip in hebben gevonden.
Finnegans
Wake is het nec plus ultra
van de literaire experimenteerlust: een boek vol verdwaaltaal en dubbeltongs
droommuziek. En dus ook een onweerstaanbare kluif voor een hongerige horde van
puzzelaars en geleerden die onophoudelijk nieuwe vondsten en inzichten
apporteren. Want Joyce kende zijn literaire pappenheimers. Toen hem gevraagd
werd waarom hij het boek op deze manier geschreven had, antwoordde hij doodleuk:
“To keep the critics busy for three hundred years.”
Toch was het de
moeite waard, omdat het fundamentele vragen opriep over lezen, en over die
hardnekkige behoefte aan houvast, aan een lijn, een verhaal. Je gaat beseffen
hoe dun het ijs van de taal – en dus van je begrip – eigenlijk is: één letter
verschil kan genoeg zijn om er doorheen te zakken. Zoals schapen en geiten door
een lichte verspreking veranderen in gapen en schijten, zo laat Joyce zijn taal
ook voortdurend, en heel suggestief, ontsporen en van betekenis verschieten door
met de spelling van de woorden te spelen.
[…]
Maar eerst en
vooral is Finnegans Wake een taalexperiment, waarin alle betekenis
uiteindelijk oplost in klinkklare taalmuziek. Een verbale orgie waarin de
klanken van het Engels fonetisch worden opgerekt, verdraaid en vermengd met
woorden uit andere talen. Zo zie je al lezend allerlei uiteenlopende en niet
zelden tegenstrijdige betekenissen oplichten in de woorden, waardoor het vrijwel
onmogelijk is zoiets als een verhaallijn te volgen. In elke regel word je zoveel
verschillende kanten uitgestuurd dat je gedwongen wordt je normale leesgewoonten
los te laten en je over te geven aan de zintuiglijke gewaarwordingen die de
woorden wekken: het is een muziek vol wisselende ritmes, toonaarden en
klankkleuren waarin en passant ook nog de hele menselijke
cultuurgeschiedenis overhoop gehaald wordt als een kakofonie van mogelijke
betekenisverbanden.
Een onmogelijk
boek dus voor wie wil begrijpen wat hij leest. In Finnegans Wake ga je
onherroepelijk kopje onder en dat is ook precies de bedoeling. Het is een zee
van taal, waarin van alles langsflitst en voorbijstroomt zonder dat je er greep
op krijgt. Om iets van de bedoelingen te begrijpen moet je eigenlijk eerst een
flinke scheut secundaire literatuur tot je nemen. Daarom is de Wake een
steen des aanstoots en een onverteerbare brok wartaal voor iedereen die zweert
bij een begrijpelijk verhaal. Hier stroomt de literatuur uit in de oceaan van
verklankte waanzin die alle menselijke taal uiteindelijk is, en waarin het
verschil tussen diepzinnigheid en diepzenuwgeit louter een spellingskwestie is.
Toch is het
allesbehalve stuurloze onzin. Dat is de paradox van de Wake: dat het een
heel doordachte en bewust gecreëerde duisternis is, waarin de dingen
voortdurend in hun tegendeel verkeren en de taal in staat blijkt tot alle
metamorfosen. Niet voor niets heeft het Joyce 17 jaar gekost om deze droomnacht
te componeren en uit de aaneenschakeling van puns, raadseltjes en klankeffecten
een coincidentia oppositorum, een eenheid van tegendelen te smeden.
Geen wonder dat
het vooral taalgeleerden waren die zich meester maakten van de Wake. Maar
ondanks alle doortrapte en wijdvertakte samenhangen die ze erin ontdekt hebben,
kan geleerdheid hier onmogelijk het laatste woord hebben. Want het boek is,
behalve doorwrocht duister, ook zo onbedaarlijk speels en grappig dat het zelfs
zijn exegeten aansteekt met woordwellust. (Zij communiceren over hun bevindingen
in een Newslitter.) Het is dus ook en vooral een boek voor mensen die van
taalspelletjes houden, en van taalmuziek.
“Het is allemaal
zo eenvoudig”, zei Joyce ooit over Finnegans Wake, “Als iemand een
passage niet begrijpt, is het enige wat hij hoeft te doen: die hardop lezen.'” En
dat is inderdaad een belangrijke sleutel. De bandopname waarin Joyce zelf een
fragment voorleest uit het beroemdste deel, ‘Anna Livia Plurabelle’ (ook te
horen op internet) is een prachtig bewijs van die stelling. Niet omdat je dan
plotseling alles begrijpt, maar omdat de charme van de tekst voor een groot deel
in de klank schuilt: het is spraakmuziek.
Maar wel Engelse
spraakmuziek. Voor lezers die niet in het Engels zijn grootgebracht blijft het
een probleem dat je vaak niet precies weet hoe de tekst in het Engels zou moeten
klinken. En dat brengt ons terug bij het heuglijke feit van de vertaling. Finnegans
Wake is vertaald: het onmogelijke is geschied.
Al eerder hadden
gerenommeerde vertalers wel eens een teen gestoken in deze ziedende taalzee (in
1977 vertaalden Paul Claes en Mon Nys een fragmentje in het blad Heibel,
en in 1982 deden zij, met enkele anderen, nog eens een poging om een bladzij te
vertalen in New Foundland). Maar Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes
besloten dat er genoeg gerild was: zij doken er onvervaard in en sloegen zich
roekeloos door alle 628 schuimende bladzijden heen.
Het pleit voor
de vertalers dat ze zich niet hebben laten intimideren door de bergen van
geleerd commentaar die in zestig jaar bij elkaar zijn geschreven – ruimschoots
voldoende om iedere vertaler bijvoorbaat de lust te ontnemen. Ze hebben zich, is
mijn indruk, vooral laten inspireren door het baldadige plezier in
taalverhaspeling dat de Wake uitstraalt. Zonder dat plezier was hun
onderneming ongetwijfeld een vroege dood gestorven. Onder het motto ‘waar gehakt
wordt, vallen spaanders’ hebben ze zich niet te veel bekreund om alles wat
daarbij onvermijdelijk verloren ging. En terecht: het spelplezier zou snel
bedorven zijn als je daar al te scrupuleus in was. Wie zich hier geen maximale
vrijheid veroorlooft, is bijvoorbaat verslagen. Daarom is het niet meer dan
rechtvaardig, lijkt me, om in dit geval vooral te kijken naar wat er wel gelukt
is. En dat is verrassend veel.
Het vereist vaak
even doordenken voor je begrijpt waarom voor een bepaalde vertaling gekozen is,
maar op elke bladzij zijn wel geestige vondsten te vinden. Bij de beschrijving
van een veldslag op pagina 4 schoot ik spontaan in de lach bij: ‘Wat een
builenkans voor knupfels’. (De combinatie van ‘knuppel’ en ‘knuffel’ is een
typisch voorbeeld van wat Joyce veelvuldig doet: tegenstrijdige betekenissen in
één woord samenvoegen.)
En al is elke
vondst te betwisten omdat je altijd meerdere kanten uit kunt, het wemelt toch
van de inventieve en verrassende oplossingen. Zoals – ik pik er maar wat uit
– ‘Verstel-Geen-Sprookjeshoek’
voor ‘Tell-No-Tailors’ Corner’. Of de vertaling van ‘My wrists are wrusty
rubbing the mouldaw stains’ in: “Mijn polsen zijn strang van het rijnigen van de
schimmoldauw,” waarin alvast twee van de honderden riviernamen verstopt zitten.
Bovendien hebben de vertalers het spreektaalkarakter van de tekst en de
klankeffecten, zoals de veelvuldige alliteraties, steeds zoveel mogelijk
gerespecteerd.
Als
‘Phill’
dronken van zijn ladder valt, gaat dat in het Engels zo: “His howd feeled heavy,
his hoddit did shake. (There was a wall of course in erection) Dimb! He
stottered from the latter. Damb! he was dud. Dumb! Mastabatoom, mastabadtomm,
when a mon merries his lute is all long. For whole the world to see. // Shize! I
should shee! Macool, Macool, orra whyi deed ye diie? of a trying thirstay
mournin?”
In het
Nederlands wordt dat: “Zijn hoof vielt zwaar, zijn spaciebakkes schudde. (Er was
een muur in stand van oprichting). Bdimb! Hij storterde van de zatladder. Bdamb!
Hij was dut. Bdomb! Mastabatom, mastaratdam, als een mon zich verhuwt laat hij
zich luid loeiend gaan. Voor heel de wereld te kijk. // Shnit? Als een paal
boven theewater! Macool, Macool, aï, aï, waarom bestu sneven? Op een moeie
mondorstdagmorguen?”
Over
zo’n klein
fragmentje valt al een pagina vertaalcommentaar te schrijven, maar dat mogen
anderen doen. Dit moet eerst gevierd worden. Want laten we wel wezen: het is een
wonder dat deze vertaling er is. En wat er ook aan mag mankeren, het taalplezier
knettert je tegemoet. Het is ‘het losbrandigste vuil ooit afgevuurd’, om met
Shaun te spreken. Daarmee heeft het Nederlands zich gevoegd bij het selecte
gezelschap van talen waarin Finnegan tot leven is gewekt. Bovendien biedt deze
tweetalige editie iedere lezer de kans om het spel mee te spelen en betere
oplossingen te bedenken. Zoveel scoringskansen krijgt u zelden. Kan het mooier?
Nee, hier is een
heldendaad verricht. Gilgamesj en Enkidu hebben de reus Humbaba verslagen.
Bravo! Dat het een bloedbad is geworden, dat spreekt vanzelf. Elke vertaling is
vatbaar voor discussie maar voor dit Nachtboek geldt dat elke voltooide
vertaling al een unieke prestatie is. Wie nu met een opgeheven vingertje durft
te komen en hoofdschuddend wijst op alle spaanders en bloedsporen moet wel een
onverbeterlijke zuurpruim zijn, wiens betweterij alleen maar als een boemerang
kan werken. (Ik zou zeggen: pas wie vijftig mooiere oplossingen weet aan te
dragen heeft hier recht van spreken.)
Nu
maar hopen dat er naast dat handjevol doorzetters die het helemaal gaan lezen
genoeg nieuwsgierigen zijn die deze prachtige tweetalige editie gaan kopen om
zich af en toe te bedwelmen aan een krankjorumme pagina. Finnegans Wake
staat garant voor vele avondjes pure puzzelpret. Van harte aanbevolen als
gezelschapsspel. Hilariteit verzekerd.
bron: http://www.nrc.nl/cultuur/boeken/1018587004260.html
(24 november 2003; RJ)