Woordenlijst
A
aanhef
(de) groetende en inleidende zin in een brief, vb Beste Eric, LS,
Hallo allemaal, Geacht college
aantonende
wijs (de) wijs
die de mededelingen en de handelingen van nu en in het verleden doet vaststellen.
De aantonende wijs omvat in het Nederlands alle gewone werkwoordstijden, behalve
die in de gebiedende (Ga! ) en de
wensende (men neme) wijs. Syn. indicatief
aanwijzend
voornaamwoord (het)
voornaamwoorden of verwijzers die de afstand beschrijven van hun kernwoord
waarheen verwezen wordt; vb deze tafel to. die tafel, deze/die
zijn aanw.vnw. waarbij tafel het kernwoord in beide zinsdelen is; afk. {aanw.vnw.}
ablatief
(de) naamval die
de richting vanaf een bepaald punt of oorsprong aangeeft; vb ad urbe condita
(Lat). “vanaf de stichting van de stad”, urbe (van Nom.sg. urbs)
heeft de ablatief; afk. {abl.}
ablaut (de) [Du.] verschijnsel van structurele klinkerwisseling; vb
ablautreeks e-a-o in breken-brak-gebroken, steken-stak-gestoken
abstracta (de)
zelfstandig naamwoord dat geen aanwijsbare en/of aan te raken inhoud
heeft; vb liefde, breedte, schoonheid, droom; to. concreta
accent (het)
1 alg. benaming voor diacritisch teken 2 druk; nadruk; vb met
het accent op de laatste lettergreep 3 variant van een officiele
omgangstaal waarbij duidelijk te horen is dat de persoon een niet-spreker of
dialectspreker is. vb hij praat met een accent
accent aigu
(het) [Fra.]
diacritisch teken [΄];
als in logé
accent
circonflexe (het)
[Fra.] diacritisch teken [ˆ]; als in enquête
accent
grave (het) [Fra.]
diacritisch teken; als in Ampère
accusatief
(de) [Lat. accusatus “beschuldigd”] naamval die de functie van
een lijdend voorwerp aangeeft. In het Duits de vierde naamvalsreeks. afk. {acc.}
acroniem (het) afkorting die fonetisch gezien een nieuw woord oplevert,
vb aids, laser, DOS
adjectief (het)
bijvoeglijk naamwoord; afk. {adj.}
adjectiefsleutel
(de) [in het Duits] ezelsbruggetje; de bepaalde vormen van de
bijvoeglijke naamwoorden eindigend op –en t.o.v. –e
in een matrix (kruisdiagram) vormen een sleutel
adverbiaal (het)
bijwoordelijke bepaling; afk. {A}
adverbium (het)
[mv. adverbia] bijwoord; afk. {adv.}
afasie (de)
taalafwijking; gedeeltelijk of volledig verlies van de mogelijkheid om gedachten
te verwoorden of van het begrijpen van geschreven of gesproken taal als gevolg
van hersenbeschadigingen
afasiologie
(de) wetenschap
die zich verdiept in afasie
affigeren (ww)
in- of toevoegen van een affix
affix (het)
algemene naam voor voor-, tussen- en achtervoegsels
agens (de)
handelende persoon; semantisch gezien ‘echt onderwerp’, in actieve zinnen
het onderwerp, maar in passieve zinnen vaak niet
agglutinerende
taal (de) taal
die door aanhechting van achtervoegsels aan één woordstam soms hele frasen en
zinnen kunnen vormen, bijv. in het Groenlands
alef (de)
eerste letter in het Hebreeuwse alfabet < א
>
alfa
(de) eerste letter van het Griekse alfabet < Α
> en < α
>
alinea (de)
groep zinnen die in hoge mate coherent is binnen een tekst
alliteratie
(de) beginrijm;
rijm waarbij de eerste letter(groep) gelijk is, vb Donald Duck, schermende
schelmen, beurtbalkje, de Rode Ridder
allofoon (de)
een van de verschillende realisaties van een foneem (klank); vb in Ned. beek
en beer zijn de ee’s dezelfde, maar
met een (minimaal) andere uitspraak
allomorf (de)
variant van een morfeem; vb in Ned. nationaal
en nationale zijn –aal en
–al- allomorfen. De –e is vervolgens de uitgang
alveola (de)
tandboog
alveolaar (de)
klank waarbij de tong tegen de alveola wordt geplaatst; vb [ t ], [ s ], [ l ]
anafoor (de)
woordrelatie; het woord waarnaar terugverwezen wordt
anaforisch (bn)
terugverwijzend (naar eerder genoemd woord)
anaptyxis (de)
het ontstaan van een klinker binnen een medeklinkergroep; vb IJsl. maður
van OIJsl. maðr
anglicisme (het)
verschijnsel of leenwoord overgenomen uit het Engels zonder dat dit is
toegestaan volgens de grammatica of de woordenboeken; vb Eric’s boek, hard
drive
anlaut (de)
[Dui.] aanvangsklank; eerste letter of lettergroep in de stam
antecedent (het)
behorend bij betrekkelijk voornaamwoord; vb in Het
kind dat ziek was liep weg. is het
kind de antecedent van dat
antithese (de)
stijlfiguur; tegenstelling
antoniem (de)
woordrelatie; tegenstelling in twee woorden; vb goed en slecht
zijn antoniemen
aoristus (de)
[in het Grieks] werkwoordstijd die een lopende handeling in het verleden
aanduidt
apocope (de)
proces van wegslijting van de slotklank
archaïsme
(het) iets dat verouderd is; verouderd woordgebruik; verouderde zinsbouw
archaïsch
(bn) verouderd
aspireren (ww)
aanblazen (van een klank)
assimilatie
(de) gehele of
gedeeltelijke gelijkwording van de ene medeklinker(groep) aan de aangrenzende
medeklinker(groep) binnen een woord. Men onderscheidt regressieve en
progressieve assimilatie. Bij regressieve assimilatie past een medeklinker zich
aan aan de volgende medeklinker (impopulair
[ in + populair ]) en bij progressieve assimilatie past een medeklinker zich aan
aan de voorafgaande (denk aan de vorming van de verleden tijd in het Nederlands:
verfde en reisde).
asterisk (de)
[*] 1 leesteken; kan gebruikt worden bij opsommingen 2 leesteken;
geeft aan, voor een woord staand, dat dat woord gereconstrueerd is op grond van
theorieën en bronnenmateriaal, maar misschien niet eens in deze vorm bestaan
heeft 3 leesteken om een grammaticaal onjuiste zin aan te duiden
attributief
(de) aan de kern
van een frase gekoppeld woord of zinsdeel
attributief
(bn) gekoppeld
aan; m.b.t. het gekoppeld gebruiken van bijv. een bijvoeglijk naamwoord; vb de
kleine kamer (attributief)
to. de kamer is klein (predicatief);
to. predicatief
auslaut
(de) [Dui.] slotklank; laatste letter of lettergroep in de stam
auslautverhärtung
(de) [Dui.] het
stemloos (hard) maken van klanken die oorspronkelijk stemhebbend (zacht) waren;
vb in wand wordt de /d/ als /t/
uitgesproken
ayin (de) Hebreeuwse
letter < ע >
B
barbarisme (het)
alg. benaming voor het overnemen een verschijnsel of leenwoord uit een andere
taal; soorten: anglicisme, germanisme, gallicisme enz.
bayit (de)
Hebreeuwse letter < ב
>
bepaald
lidwoord (het)
lidwoord dat een zelfstandig naamwoord een specifieke aanduiding geeft; vb de
tafel: men weet over welke tafel men spreekt; to. een
tafel, waarbij het om iedere tafel zou kunnen gaan. In dat geval spreekt men
van een onbepaald lidwoord
bepaling (de) 1 bijwoordelijke bepaling; zinsbepaling; zinsdeel die een nadere,
niet verplichte doorgaans, bepaling geeft aan de zin; vb Wil je hem morgen dat boek geven? 2 naamwoordbepaling; zie: bepaald
lidwoord
— bepaling
van gesteldheid (de)
zinsbepaling die een manier of gesteldheid uitdrukt
— bepaling van plaats (de) zinsbepaling die een richting naar of
het zich bevinden op een bepaalde plaats uitdrukt; vb naar Groningen, in de stad, daarheen, hier, onder de tafel
—
bepaling van tijd (de) zinsbepaling die een moment uitdrukt; vb
morgenavond, nu, een andere keer, soms
betekenisleer
(de) tak in de
taalkunde die zich richt op de betekenissen van woorden; syn. semantiek
bèta (de)
Griekse letter < Β
>,< β
>
bèta-s (de) [in het Duits] [ ß
]; letterteken, van oorsprong een ligatuur van /s/ en /z/, die gebruikt
wordt in de plaats van de dubbele /s/ op gesloten plaatsen (dus niet tussen twee
klinkers) en als slotklank; vb [Du.] naß,
nasse, weiß, wir essen, er ißt ; ook ringel-s
betrekkelijk
voornaamwoord (het)
voornaamwoord dat naar zijn eerder genoemde kern verwijst; vb Ik ken een kind dat verwaarloosd wordt. (dat = betrekkelijk voornaamwoord, slaat op het kind); afk. {betr.vnw.}
bezittelijk
voornaamwoord (het)
attributief voornaamwoord dat bezit uitdrukt; vb mijn plaats, ons huis, onze kamer, jullie
boek ; afk. {bez.vnw.}
bijstelling
(de) tussen twee
komma’s toegevoegde frase of zin die extra informatie geeft over de kern waar
hij bijhoort
bijvoeglijk
naamwoord (het)
beschrijvend woord dat iets zegt over een zelfstandig naamwoord; vb mooi
huis ; afk. in woordenboeken {bn.} en in andere teksten meestal {bijv.nw.}
bijwoord (het)
woordklasse; woorden, vaak afgeleid van een bijvoeglijk namwoord, die iets
zeggen van een werkwoord, een bijvoeglijk naawoord of betrekking hebben op de
hele zin; vb Ik ga niet naar
school. (niet
= bijwoord m.b.t tot de hele zin), De erg
mooie roos (mooie = bijv.nw., erg
= bijwoord m.b.t. bijv.nw.), Ze liep grappig.
(grappig = bijwoord m.b.t. ww. (en
niet tot ze!); afk. {bijw.}
bijwoordelijke
bepaling (de) zie:
bepaling 1 ; afk. {bijw.bep.}
bijzin (de)
zin die ondergeschikt is aan de hoofdzin, bijv. door het inleiden van de bijzin
met een onderschikkend voegwoord; vb Ik
ben ziek omdat ik gisteren slecht gegeten heb.
(omdat ik gisteren slecht gegeten heb
= bijzin bij de belangrijkste uiting (ik
ben ziek))
bilabiaal (de)
klank uitgesproken door beide lippen; vb [ p ] en [ b ]
bilinguaal (bn)
tweetalig
bilingualisme
(het)
tweetaligheid
bisyllabisch
(bn)
tweelettergrepig; ook disyllabisch
breve (de) diacritisch
teken, zie: tilde
C
causatief
(de) zwak
werkwoord dat een passieve bewegingshandeling uitdrukt en in stam overeenkomt
met een sterk werkwoord dat geen beweging maar juist een actieve handeling
uitdrukt; vb vallen-vellen of liggen-leggen: leggen en vellen
zijn de causatieven
casus
(de) naamval
cedille
(de) diacritisch
teken in de vorm van een haakje of vijfje onder een letter; vb in Curaçao
chi
(de)
Griekse letter < Χ >, < χ >
chiasme
(het) stijlfiguur;
het herhalen van woorden/zinnen volgens het schema a-b-b-a;
vb Als ik ziek ben, ben ik ziek
circonflexe
(de) dakje;
accent circonflexe [ ˆ ]
circumfix
(de) affix die
uit een suffix en een prefix bestaat en alleen gelijk optreden; vb ge-d
in gedaald
collectiva
(de) zelfstandig
naamwoord dat een groep aanduidt; groepsaanduiding, vb politie, college
colon
(de) dubbele punt
comparatief
(de) vergrotende
trap; vb groter, betere
concreta (de)
zelfstandig naamwoord dat iets concreets, iets tastbaars, uitdrukt; vb deur, kaart, broek, neus, mens, land, melk; to. abstracta
congruent (bn)
overeenkomend (van getal, geslacht, naamval)
congruentie (de)
overeenkomst van getal, geslacht en/of naamval
congrueren (ww)
overeenkomen (van getal, geslacht en naamval)
conjugatie
(de) vervoeging,
alleen gebruikt in vervoeging van werkwoorden; vervoeging naar wijze, tijd,
geslacht en persoon
conjunctie
(de)
nevenschikkend voegwoord
conjunctief
(de) wensende
wijs; afk. {conj.}
connotatie
(de) bijbetekenis
of associatieve betekenis(van een woord)
consonant (de) medeklinker; afk.
{C}
D
dactylus
(de) stijlfiguur;
ritme in de dicht- en schrijfkunst
dakje
(het) alledaagse
term voor het accent circonflexe, naam gekregen door de vorm van het accent
daled
(de) Hebreeuwse
letter < ד
>
datief
(de) [Lat. datus
“gegeven”] naamval die (normaal gesproken) het meewerkend voorwerp aanduidt
en enkele voorzetsels regeert; [in het Duits] derde naamval; afk. {D} of {dat.}
declinatie
(de) verbuiging;
verbuiging naar naamval, getal en geslacht
declineren
(ww) verbuigen
naar naamval, getal en geslacht
delta
(de) Griekse
letter < Δ >, < δ >
denotatie
(de) meest
specifieke en directe betekenis (van een woord)
deelwoord
(het) zie: voltooid
deelwoord
deiktisch
(bn) m.b.t.
deixis; aanwijzend; wijzend naar tijd/plaats
deixis
(de)
literatuurterm; aanwijzende bepalingen; vb hier,
die , toen
delend
lidwoord (het)
lidwoord dat het naakte gebruik van het zelfstandig naamwoord kan vervangen; vb
[in het Frans] *j’ai vin “ik heb
wijn” > j’ai du vin
diachroon
(bn) betreffende
de veranderingen door de tijd; to. synchroon
diacritisch
teken (het) teken
binnen een set betekenisloze symbolen die op, onder of binnen een grafeem
geplaats kunnen worden om zo de klank te bewerken naar de fonematische regels
of een volledig nieuwe klank weer te geven
dialect
(het) regionaal
of lokaal gesproken en/of geschreven variant op een officiele taal
diminutief
(de)
verkleinwoord. In het Nederlands wordt deze gevormd door het achtervoegen van
–je, -tje of –pje: vb straatje, karretje, boompje
dissimilatie
(de)
mutatie; proces van klankverandering op grond van twee botsende (gelijke)
klanken of klankgroepen; uiteenloop van klanken op grond van botsing; vb Lat. turtur
> Eng. turtle
disyllabisch
(bn)
tweelettergrepig; ook bisyllabisch
dode
taal (de) taal
die niet meer actief doorgegeven kan worden doordat de laatste spreker is
overleden; vb Cornish en Latijn zijn dode talen
dualis
(de)
numerus, geeft de vorm voor paren (tweetallen) aan; tweevoud
duratief
(de) handeling in
het verleden die nog voortduurt
dyslexie (de) afwijking waardoor het leesproces trager verloopt
E
eigennaam
(de)
niet-algemene, juist ter afscheiding en herkenning gegeven, naam van een
voorwerp, rivier, berg, mens enz.; vb Eric,
Maas, Koninginnedag, restaurant Het Paard
ellips
(de) stijlfiguur;
verkorting van een zin
em-streep
(de) langere en-streep;
gedachtestreep
enkelvoud
(het) , geeft de
eentallen aan; afk. {ev.}
en-streep
(de) streep [ - ]
epenthesis
(de)
insertie van een klank in
het midden van het woord; vb OEng. thunor
> MEng. thunder
epsilon
(de)
Griekse letter < Ε >, < ε >
eta
(de) Griekse
letter < Η >, < η >
etymologie
(de) 1 tak binnen de (historische)
taalkunde die de oorsprong van woorden en uitdrukkingen probeert te verklaren 2
verklaring van geschiedkundige oorsprong van een woord en de verwantschap
met andere woorden
exclamatie (de) 1 stijlfiguur; uitroep 2 [vero.]
uitroepteken
F
femininum
(het) vrouwelijk
grammaticaal geslacht
fi
(de) zie: phi
filologie
(de) wetenschap
die zich (in beginsel) bezighoudt met oude teksten en oude talen
flecteren
(ww) buigen; alg.
benaming voor vervoegen (conjugeren) en verbuigen (declineren)
flexie
(de) buiging; alg.
benaming voor buiging: vervoeging en verbuiging
foneem
(de) de kleinste
distinctieve klank in een taal; vb box bestaat uit vier fonemen [ b ] [
foneemhaken
(de mv.) [ ];
set hoekige haken waartussen woorden fonetisch weergegeven worden; to. grafeemhaken
fonetiek
(de)
fonetisch
schrift (het)
schrift waarin geldt: gelijke klanken gelijke letters
fonologie
(de) klankleer
formant
(de) eenheid
binnen het realisatieveld van een klank; vb alles wat nog binnen [ p ] valt heet
een formant van [ p ]
formeel
onderwerp (het)
verplicht loos onderwerp bij een werkwoord zonder verplichte semantische rol
(vb. regenen)
frase
(de) zinsdeel met
een syntactische functie
fricatief
(de) wrijfklank; klank die gemaakt wordt door wrijving (frictie), vb [ s ], [
j ], [ v ], [ f ]
futurum (de/het) [mv. futura]
toekomende tijd
G
gallicisme
(het)
barbarisme uit het Frans, niet veel voorkomend in het Nederlands
gamma
(de) Griekse
letter < Γ >, < γ >
gebiedende
wijs (de) vorm
uit het werkwoordensysteem die een opdracht of een stellige raad aangeeft; vb Ga!,
Pak je koffers!
geminaat (het) verdubbeling van letterteken; vb tt
geminatio
(de) [van Lat. gemini
“tweeling(en)”] stijlfiguur; herhaling van woord of zinsdeel binnen dezelfde
syntactische eenheid, vb Ik, ik heb het gedaan!
genitief
(de) naamval die
bezit uitdrukt en enkele voorzetsels regeert; [in het Duits] tweede naamval
genus
(de) [mv. genera]
grammaticaal geslacht
genus commune (de)
[Lat. “gemeenschappelijk
geslacht”] samenval van geslacht, die heeft plaatsgevonden in o.a. het Deens
en het Nederlands; vb Ned. de is zowel mannelijk als vrouwelijk
germanisme
(het)
verschijnsel of leenwoord uit het Duits dat in het Nederlands wordt gebruikt,
echter wat niet officieel toegelaten is; vb middels i.p.v. door middel
van en eerstens i.p.v. ten eerste
geslacht
(het) soort
indeling; 1 (biol.) toekenning van geslacht naar type geslachtsdeel,
mannelijk of vrouwelijk. Voor in de taalkunde zie: sexus 2 (gramm.)
toekenning van geslacht, meestal naar buigingsvormen, mannelijk, vrouwelijk en
onzijdig
gezegde
(het) alle werkwoorden uit de hoofdzin
gimel
(de) Hebreeuwse
letter < ג
>
glossarium
(het)
[mv. glossaria] beperkte woordenlijst, zoals een woordenlijst over de termen die
gebruikt zijn in een bepaald boek
glottofagie
(de) proces van
uitsterving van een taal
grafeem
(het)
schrijfletter; symbool uit het (tot een taal) beperkte lettersysteem
grafeemhaken
(de mv.) <
>; paar scherpe haken waartussen woorden in hun schrijfwijze weergegeven
worden; to. foneemhaken
grammatica
(de) 1
set taalregels (van alle soort) op grond van analogie en regelmaat 2
overzicht van alle taalregels binnen een taal of dialect, met uitzonderingen
en (vaak) voorbeelden
grammaticalisatie (de) proces van het
verwerven van een specifieke grammaticale functie van voorheen vormen van een
lemma of betekenisloze (al dan niet gebonden) morfemen
H
háček
(de) [Tsj.]
omgekeerd dakje als diacritisch teken; vb op de /c/ in het woord háček
zelf
handelende
persoon (de) zinsdeel in de zin dat de handeling uitvoert,
zinsdeel dat de persoonsvorm uitvoert. Dit hoeft niet per se het onderwerp te
zijn.
heh
(de) Hebreeuwse
letter < ה
>
het
(de) Hebreeuwse letter < ח
>
hiragana
(het)
syllabeschrift in het Japans
holoniem
(het)
woordrelatie; geeft de algemene term voor een geheel aan; to. metoniem
homofoon
(de) set
gelijkluidende grafemen
homoniem
(het)
woordrelatie; geeft de relatie tussen twee woorden met dezelfde schrijfwijze aan
die echter iets anders betekenen; vb dakje
(“klein dak” en “accent circonflexe”)
hoofdtelwoord
(het) telwoord
hoofdzin
(de) de
belangrijkste zin in één zin
huigklank
(de) klank die
door/bij de huig gerealiseerd wordt
huig-r
(de) /r/ die
gerealiseerd wordt door/bij de huig; vb Haagse /r/
hulpwerkwoord
(het)
assisterende (en vervoegde) gedeelte in het gezegde ter aanvulling van het
werkwoord; vb Ik heb het gedaan.
hyperoniem
(het)
woordrelatie; bovengeschikte term t.o.v. van een ondergeschikte term (hyponiem)
hyponiem
(het)
woordrelatie; ondergeschikte term t.o.v. een bovengeschikte term (hyperoniem)
hypotaxis (de) onderschikking
I
ik-vorm
(de) 1 eerste
persoon enkelvoud 2 stam van het werkwoord (gaat niet altijd op zoals bij
onregelmatige werkwoorden als zijn)
imperatief
(de) gebiedende wijs
imperfectum
(het) verleden
tijd
inchoatief
(de) [Noo. inkoativ
van Lat. inchoare “beginnen”] werkwoord
dat een beginnende handeling aanduidt die zich omzet in een (uiteindelijke)
verandering. In de Scandinavische talen regelmatig voorkomend type werkwoord,
gevormd met –ne of –me, vb Noo. rødme (“rood maken/worden”)
indefiniet
artikel (het)
onbepaald lidwoord; vb een
indefiniet
pronomen (het)
onbepaald voornaamwoord; vb men
infinitief
(de) hele werkwoord; opzoekvorm van het werkwoord; vb zijn, gaan,
werken, leven
infix
(het) tussenzetsel of invoegsel; teken, klank of morfeem die wordt ingezet
inlaut
(de) klank(en)
tussen de anlaut en de auslaut
interjectie
(de) tussenwerpsel; vb scheldwoorden, groeten en dierengeluiden
interpunctie
(de) het geheel aan regels voor het gebruik van leestekens
interrogatief
pronomen (het) vragend voornaamwoord; vb wat,
wie, hoe
intransitief
(de)
onovergankelijk werkwoord
insertie
(de) invoeging, tussenvoeging; inzetten van vb tussenletter of
verbindingsklank
instrumentalis
(de) naamval die
de instrumenten/voorwerpen waarmee iets gedaan wordt aanduidt en die wordt
geregeerd door enkele voorzetsels
inversie
(de) omkering; het verplaatsen van zinsdelen op grond van een regel, vb Ik
ga naar huis – Ga ik naar huis?
IPA
(het) [afk. International Phonetic Alphabet] internationaal
alfabet, fonetisch schrift; algemeen gebruikt om woorden uit welke taal dan ook
fonetisch weer te geven, zo dat iedereen die het IPA beheerst kan zien hoe het
moet worden uitgesproken. Hier geldt gelijke letter gelijke uitspraak.
isoglos(se) (de) denkbeeldige
lijn/grens op de landkaart tussen twee woordvormen
J
jambe
(de)
ritme in de dicht- en schrijfkunst
jod
(de) [Hebr. yod] Hebreeuwse letter < י
>
jota (de) Griekse letter
< Ι >, < ι >
K
kaf
(de) Hebreeuwse
letter < כ
>
kanji
(het)
karakterschrift in het Chinees en Japans
kappa
(de) Griekse letter < Κ >, < κ >
katakana
(het)
syllabeschrift in het Japans
klinker
(de) de klanken die met de mond open worden uitgesproken (a-e-i-o-u)
klinkerdief
(de) [in het Nederlands] spellingsregel
klinkerdriehoek
(de) weergave van
de binnenkant van de mond in de vorm van een driehoek, waarin klinkers geplaatst
kunnen worden op de plaats van hun realisatie
klinkerharmonie
(de) klankregel waarbij alleen klinkers van hetzelfde type (open of
gesloten) in één woord kunnen voorkomen
komma
(de) leesteken [ , ]
koppelwerkwoord
(het) [Lat. copulare
“koppelen”] werkwoord dat het onderwerp en het predicaat (naamwoordelijk
deel v.h. gezegde) gelijk stelt; vb Henk
is ziek. “Henk = ziek”, Willem
blijkt ziek. “Willem = ziek (zoals te zien is), ” Elise
wordt lang “Elise = ziek (in wording)”. Koppelwerkwoorden in het
Nederlands zijn de volgende negen: zijn,
worden, blijvenn, schijnen, blijken, lijken, heten, dunken, voorkomen (in de
bet. “lijken”)
ksi (de)
Griekse letter < Ξ >, < ξ >
L
labium
(het) [mv. labia]
[Lat.] lip
labialisatie
(de) proces van ronding van een klinker
labiodentaal
(de) klank die gevormd wordt d.m.v. de lippen en de tanden
lamed
(de) Hebreeuwse letter < ל
>
lambda
(de) Griekse letter < Λ >, < λ >
laryngaal
(de)
klank die gerealiseerd wordt in het strottehoofd
laryngaaltheorie
(de)
theorie in de Historische en Vergelijkende Taalkunde die bepaalde
taalverwantschap aanduidt d.m.v. gereconstrueerde laryngalen in woordstammen
larynx
(de)
[Lat.] strottehoofd
lectuur
(de) 1 tekst(en)
door een aantal mensen, letterkundigen en schrijvers, aangewezen als
niet-literair, het gaat dan om proza, zakelijke teksten, “mindere”
literatuur en strips. 2 leesvoer
leesteken
(het) symbool om
het lezen te verduidelijken, zoals de komma,
de punt en de dubbele punt
lemma
(het) [mv.
lemmata] 1 trefwoord, vaak alleen bestaand uit de stam; representant voor
een aantal vormen die gelijke betekenis hebben 2 [taalk.] to. lexeem
letter
(de) alg. benaming voor een op zichzelf staand klankhebbend symbool
lexeem
(de) fundamenteel begrip van een groep woorden; vb vind,
vindt, vond en gevonden zijn alle
lid van het lexeem vind
lexicograaf
(de) woordenboekenschrijver
lexicologie
(de) tak van de taakunde die zich bezighoudt met corpora (waaronder
woordenboeken)
lexicon
(het) 1 woordenboek 2 woordenschat
lidwoord
(het) alg. term
voor de beschrijvers die het zelfstandig naamwoord bepaald of onbepaald maken;
vb het boek (het = lidwoord). Men onderscheidt bepaalde en onbepaalde lidwoorden.
ligatuur
(de)
tweeletterige letter; vb < æ >, bestaande uit een < a > en een <
e >, en < œ >, bestaande uit een < o > en een < e >
lijdend
voorwerp (het)
zinsdeel in de zin dat de actie ondergaat; vb Ik
heb hem gezien. (hem = l.vw.),
Ik heb hem een boek gegeven. (een
boek = l.vw., hem = meewerkend vw.);
afk. {l.vw.}
lijdende
vorm (de) zin
waarin het onderwerp de actie ondergaat i.p.v. uitvoert, dit gebeurt d.m.v. het
gebruiken van de passieve hulpwerkwoorden worden
of zijn
lingua franca (de)
[It. “vrije taal”] taal die door velen goed wordt beheerst, wereldtaal ; vb
Engels
linguïstiek
(de) taalkunde of
taalwetenschap; de studie naar taalstructuren, taalvarianten, taalhistorie en
taalverwantschap, taalverwerving, taalafwijkingen, taalpolitiek en taaltheorieën.
Men onderscheidt ook wel Algemene, Toegepaste, Historische en Vergelijkende
Taalwetenschap.
literatuur
(de) tekst(en) door een aantal mensen, letterkundigen en schrijvers,
aangewezen als zgn. literair, poezie en literair proza, alhoewel de scheidslijn
subjectief is
loos onderwerp (het) onderwerp
zonder betekenis; vb Het regent
M
masculinum
(het) mannelijk grammaticaal geslacht
meervoud
(het) numerus die een veelvoud aangeeft; vorm die (meestal) meer dan één
uitdrukt: vb boeken staat in het meervoud; afk. {mv.}
meewerkend
voorwerp (het)
zinsdeel dat de ontvanger weergeeft; vb Ik
geef hem een boek (ik =
onderwerp, hem = meewerkend voorwerp, een
boek = lijdend voorwerp)
medeklinker
(de) klanken die met gesloten mond uitgesproken worden; grootste groep
letters in ons alfabet
medium
(het) categorie binnen de werkwoordsvormen
mem
(de) Hebreeuwse
letter < מ
>, en als auslaut < ם
>
metafoor
(de) stijlfiguur; symbolische vergelijking zoals een spreuk of een
voorbeeld dat als algemeenheid dient (pars
pro toto)
metataal
(de) begeleidende tekst; verklarende tekst in een werkstuk
metathesis
(de) omdraaiing (van grafemen/fonemen); vb branden
van ouder barnen
metoniem
(het) woordrelatie; deel van een geheel; vb kamer
is een metoniem t.o.v. het holoniem huis
modaal
werkwoord (het) hulpwerkwoord (praktisch nooit alleen optredend) dat
modaliteit (soort gesteldheid) uitdrukt; vb zullen,
willen, kunnen, mogen
modus
(de) [mv. modi] wijs (waarin het werkwoord verkeert)
morfeem
(het) kleinste betekenisdragende groep letters; vb leef
bestaat uit één morfeem terwijl leefde
uit twee morfemen bestaat (leef + de; stam + achtervoegsel). Men onderscheidt vrije
morfemen, morfemen die als los woord kunnen voorkomen (vb leef),
en gebonden morfemen, die niet als los
woord kunnen voorkomen omdat ze slechts een buigende functie hebben (vb –de).
Leefden bestaat weer uit drie morfemen
(leef + de + (e)n), waarbij de laatste een meervoudsachtervoegsel is.
morfologie
(de) vormleer
morfosyntaxis
(de) woordbouw
mu
(de) Griekse letter < Μ >, < μ >
multilingualisme
(het) meertaligheid
multisyllabisch
(bn) meerlettergrepig (meer dan twee)
mutant
(de) datgene dat of diegene die verandert; vb <a> in stad
naar <e> steden
mutatie (de) verandering;
wisseling van bv. een klinker
N
naamkunde
(de) tak van de
taalkunde die zich bezighoudt met de (historische) achtergrond van eigennamen
naamval
(de) alg. term voor één van de zgn. vormeisende functies in zinnen in
bepaalde talen. Men onderscheidt één oplopend tot soms wel dertien naamvallen.
Enkele naamvallen: nominatief, genitief, vocatief, datief, accusatief, locatief,
instrumentalis en ablatief, in het
Fins onderscheidt men ook nog o.a. de partitief, essief, perlatief, illatief,
allatief enz.
naamwoord
(het) zie: zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk
naamwoord
naamwoordelijk
deel van het gezegde (het)
het deel van de zin dat gelijk staat (=) aan het onderwerp; vb Henk
is ziek. “Henk = ziek”: is ziek
= gezegde; ziek = naamwoordelijk deel
nasaal
(de) neusklank
neologisme
(het)
nieuwvorming (van een woord, constructie of uitdrukking)
neusklank
(de) klank die in
de neus gerealiseerd wordt; vb [ m ] en [ n ]
neutrum
(het) onzijdig grammaticaal geslacht
nevenschikkend
voegwoord (het) voegwoord dat twee hoofdzinnen verbindt; vb Ik ben ziek + Ik heb dorst = Ik ben ziek en ik heb dorst. (en
= nev.vw.), beide uitingen zijn niet aan elkaar gerelateerd, ze treden alleen
gelijktijdig op. Anders wordt het bij want,
want dat impliceert dat de ene uiting een gevolg is van de andere uiting en de
oorzaak is dan ‘ondergeschikte’ informatie t.o.v. de hoofdzin (de
belangrijkste uiting). Men noemt want
dan ook een onderschikkend voegwoord.
nevenschikking
(de) [Ned.
“naast” + “plaatsing”] het hebben van gelijke status
nexusobject
(het) een heel werkwoord (infinitief) als lijdend voorwerp naast een
ander (vaak ook lijdend) voorwerp; vb Ik
zag haar baden. ik = onderwerp; zag = persoonsvorm; haar
= formeel lijdend voorwerp; baden =
nexusobject
nomen
(het)
[mv. nomina] (zelfstandig) naamwoord
nomen
actionis
(het) [mv. nomina actionis] zelfstandig naamwoord dat een gevolg uitdrukt;
vb gebak
nomen
agentis
(het) [mv. nomina agentis] zelfstandig naamwoord dat een uitvoerder
aanduidt; vb werker, bakker
nominatief
(de) naamval die
het onderwerp (en het bijbehorende predicaat) aangeeft; [in het Duits] eerste
naamval; afk. {nom.} of {N}
nu
(de) Griekse letter < Ν >, < ν >
nultrap (de) verdwenen lettergreep
numerale
(de) [mv. numeralia] telwoord
numerus
(de) [mv. numeri]
getal; alg. benaming voor enkelvoud, tweevoud en meervoud. Sommige talen maken
zelfs nog onderscheid tussen een drie- en een viervoud.
nun (de) Hebreeuwse
letter < נ >, en als auslaut < ן >
O
object
(het) voorwerp;
afk. {O}. Men onderscheidt
het indirect object (meewerkend
voorwerp) en het direct object (lijdend
voorwerp); afk. {DO} of {Odir} en {IO} of {Oind}
obstruent
(de) één van de
plosieven of fricatieven
omega
(de) [Gri., eig.
“grote o”] Griekse letter < Ω
>, < ω >
omikron
(de) [Gri., eig.
“kleine o”] Griekse letter < Ο
>, < o >
onbepaald
(bn) niet bepaald;
zonder bepaling (van bijvoorbeeld geslacht)
onbepaald
lidwoord (het)
lidwoord, meestal de vorm zonder druk van één
(=een), dat bij het zelfstandig
naamwoord geplaatst kan worden, waardoor het z.nw. algemeen wordt; vb een
tafel (= welke dan ook), to. de tafel
(= de tafel waarover men het heeft) en één
tafel (= één in aantal)
onbepaald
voornaamwoord (het)
onderschikkend
voegwoord (het)
voegwoord dat een bijzin aan een hoofdzin voegt
onderschikking
(de) de
verhouding van een bijzin t.o.v de hoofdzin
onderwerp
(het) de
uitvoerder van het gezegde (of alleen de persoonsvorm)
onomastiek
(de) naamkunde
onomatopee
(de)
woord dat zijn naam ontleent aan een klank; vb tsjilpen, miauwen, boem,
koekoek
onovergankelijk
werkwoord (het)
oorzakelijk
voorwerp (het)
optatief
(de) wensende
wijs
overgankelijk
werkwoord (het)
oxymoron (het) stijlfiguur;
paradoxale, elkaar uitsluitende tegenstelling in een syntactische eenheid (frase),
vb schreeuwende stilte
P
palataal
(de)
klank die bij het gehemelte gerealiseerd wordt
palatalisatie
(de) proces van
klankverandering naar een palataal
palatum
(het) gehemelte.
Men onderscheidt het harde (palatum durum) en het zachte gehemelte (palatum
molle/velum).
palindroom
(het)
stijlfiguur; woord (soms ook een hele zin) dat van achteren naar voren, zowel
als van voren naar achteren gelezen kan worden; vb lepel, parterretrap
paradox
(de) stijlfiguur;
tegenstelling
paradoxaal
(bn) m.b.t. een paradox
parameter
(de) variabele
meetwaarde of toestand (in de taalkunde met beperkte mogelijkheid)
parameter
setting (de) in
de Universal Grammar gebruikt model om
metaforisch weer te geven dat men bij de geboorte een set grammaticale regels
meekrijgt die variabel zijn (regel a1 en
a2) en worden ingevuld (bijv. regel a1 of a2) al naar gelang
de input die men krijgt (bijv. input = alleen a1)
parataxis
(de)
nevenschikking
pars
pro toto (de)
[Lat. “deel voor een geheel”] stijlfiguur; metafoor waarbij een deel als
voorbeeld voor een geheel dient
passief
(de) lijdende
vorm
passivum
(het) lijdende
vorm
patiens
(de) semantische
rol; het ‘echte’ lijdend voorwerp; in actieve zinnen het lijdend voorwerp
maar in passieve zinnen het onderwerp, zodat de patiens altijd (semantisch
gezien) het lijdend voorwerp is
pay
(de) Hebreeuwse
letter < פ
>, als auslaut < ף
>; ook: peh
pejoratief
(de) woord dat
een neerbuigende lading heeft; vb wijf
perfectum
(het) voltooide
tijd
perlocutionair
(bn) handeling in
de zin met als functie door of d.m.v.
persoon
(de) alg. term
voor de drie groepen van voornaamwoordelijke vormen met bijbehorende flexie die
de spreker (eerste persoon), de geadresseerde (tweede persoon) en de persoon
over wie gesproken wordt (derde persoon) aanduiden; vb ik/wij (eerste persoon),
jij/jullie (tweede persoon), hij/zij/het (derde persoon)
persoonsvorm
(de) werkwoord in
de zin dat verbogen wordt naar het onderwerp
persoonlijk
voornaamwoord (het)
voornaamwoord dat de directe persoon weergeeft of een eventueel zinsdeel
vervangt; De man heeft het gedaan kan
worden vervangen door Hij heeft het
gedaan (hij = pers.vnw.)
phi
(de) Griekse
letter < Φ >, < φ >
pi
(de) 1
Griekse letter; < Π
> en < π > 2 symbool in de wiskunde dat een constante weergeeft
(3,1402…) in de bereking van een cirkel; symbool π
pleonasme
(het)
plosief
(de)
plofklank
polyglot
(de) iem. die
vele talen beheerst
positief
(de)
stellende trap; normale stand van het bijv.nw.; vb goed,
mooi, juiste
postpositie
(de) voorzetsel
dat achter het zelfstandig naamwoord staat i.p.v. ervoor
plofklank
(de) klank die
kort klapt (ploft) en niet aanhoudt; vb [ k ] en [ p ]
plurale
tantum (het)
zelfstandig naamwoord dat alleen in het meervoud voorkomt
pluralis
(de) [mv.
pluralia] meervoud; afk. {pl.}
plusquamperfectum
(het) voltooid
verleden tijd, in het Nederlands samengesteld; vb Hij
had het niet gedaan
pragmatiek
(de) leer van het
taalgebruik
predicaat
(het)
naamwoordelijk deel van het gezegde
predicaatnomen
(het)
naamwoordelijk deel van het gezegde
predicatief
(bn) als
predicaat gebruikt; vb De stoel is blauw
(= predicatief), to. De blauwe stoel (=attributief)
prefix
(het) voorvoegsel
prepositie
(de) voorzetsel
presens
(de) [mv.
presentia] tegenwoordige tijd
preterito-present|ium
(het) [mv. ~|ia]
werkwoord dat ontstaan is uit de verleden tijd (preteritum) van een ander
werkwoord
preteritum
(het) verleden
tijd
pro-drop
parameter (de)
[Eng.] term uit het nativisme; parameter setting voor het al dan niet mogen
weglaten van het persoonlijk voornaamwoord als onderwerp bij de naar die persoon
vervoegde persoonsvorm; vb In het Italiaans mag men het pers.vnw. als onderwerp
weglaten op grond van dubbele bestemming:
het is aan de persoonsvorm te zien in welk getal en in welke persoon hij staat.
In het Engels is dit bijvoorbeeld niet het geval omdat er nauwelijks sprake is
van vervoeging en dus verwarring op zou kunnen treden.
pronomen
(het) [mv.
pronomina] voornaamwoord; verwijzer en vervanger van een naamwoord (zelfstandig
of bijvoeglijk); afk. {pron.}
pronominaal
(bn) m.b.t. tot
een pronomen of de pronomina (voornaamwoorden)
propositie
(de) inhoudelijke
mededeling in een zin
progressieve
assimilatie (de)
zie: assimilatie
proprium
(het) [mv.
propria] zelfstandig naamwoord dat
eigennamen aanduidt; eigennaam
prothesis
(de)
voorvoegen van extra klank; vb [Spa.] estación
“station”
psi
(de) Griekse
letter < Ψ >, < ψ >
punctum
(het) [Lat.] punt
punt
(de) op de
onderlijn gezette stip om het einde van een zin te markeren of om het weglaten
van letters te markeren in een afkorting
puntkomma (de) leesteken [ ; ]
Q
qof
(de) Hebreeuwse
letter < ק
>
quadralis (de) numerus die
viertallen aangeeft; viervoud
R
rangtelwoord
(het) telwoord
dat als bijvoeglijk naamwoord wordt gebruikt en een rang aangeeft; vb eerste, tweede, derde, vierde
regressieve
assimilatie (de)
zie: assimilatie
reciproct
pronomen (het)
wederkerig voornaamwoord
reductietrap (de) gereduceerde lettergreep, vb. schwa i.p.v.
voltrap
reduplicatie
(de)
invoegen of verdubbelen van gelijke klank t.b.v. de uitspraak; stamverdubbeling;
vb gegeten (ge-g(e)-) van ww. eten
; [Gr.] barbaros (bar-bar-)
rekkingstrap (de) gerekte lettergreep van korte klinker naar lange
klinker, vb. vat – vaten
relatief
pronomen (het)
betrekkelijk voornaamwoord
relict
(het)
overblijfsel
resh
(de)
Hebreeuwse letter < ר
>
retroflex
(de)
klank uitgesproken met de tongpunt langs het gehemelte; [omg.] flap
rho
(de) Griekse
letter < Ρ >, < ρ >
rotacisme (het) ontwikkeling
tot /r/, meestal via /z/; vb was (ev.)
to. waren (mv.); ook rhotacisme
S
samech
(de) Hebreeuwse
letter < ס
>
sandhi
(de)
[Sanskr.] assimilatie op de grens van twee woorden, al dan niet uitgedrukt in de
spelling
schwa
(de)
alg. benaming voor de toonloze /e/ = [ ə ]
semantiek
(de)
betekenisleer
semantische rol (de)
semicolon
(de) puntkomma
semiotiek
(de) tekenleer
semivocaal
(de) halfvocaal;
vb de /j/ en /w/ zijn semivocalen
setting
(de) [Eng.] 1 omgeving waarin men een taal verwerft; vb formeel (in de klas) of informeel
(op straat) 2 [m.b.t. UG] zie: parameter
setting
sexus
(de) [mv. sexus]
biologisch geslacht. De genus is vaak in overeenstemming met de sexus,
maar lang niet altijd. Meisje bijvoorbeeld is als genus onzijdig en als
sexus vrouwelijk. In verwijzingen zou je het (genusbuiging) verwachten,
maar in dit geval is zij (sexusbuiging) beter.
shin
(de) Hebreeuwse
letter < ש
>, ook sin
sigma
(de) Griekse
letter < Σ >, < σ >, en als auslaut < ς >
sigmatisch
preteritum (het)
[m.b.t. het Grieks] soort verleden tijd die gemaakt wordt door het achtervoegen
van een achtervoegsel met een sigma ([ s ])
sin
(de) Hebreeuwse
letter < ש
>, ook shin
singularis
(de) [mv.
singularia] enkelvoud; afk.{sg.}
sociolect
(het) taalvariant
binnen een bepaalde sociale klasse
sociolinguïstiek
(de) tak in de taalkunde die onderlinge verstaanbaarheid en de sociale
aspecten van taalverkeer bestudeert
stam
(de)
gedeelte van het woord waarbij uitgangen gevoegd kunnen worden
stamklinker
(de)
klinker binnen de stam (eig. wortel);
vb lopen (= <o>), liep
(= <ie>): de stamklinker veranderde
sterk
werkwoord (het) werkwoord dat sterk wordt vervoegd, d.w.z. waarbij
regelmatige klinkerwisseling plaatsvindt en de verleden tijd geen uitgang heeft;
vb breken – brak en steken – stak zijn sterke werkwoorden
subject
(het) onderwerp;
afk. {S}
subjunctie
(de)
onderschikkend voegwoord; vb want, doordat,
zodat
substantief
(de) zelfstandig
naamwoord
suffix
(het)
achtervoegsel
superlatief
(de)
overtreffende trap; vb grootst, mooiste
supradentaal
(bn) m.b.t. de
bovenste tandenrij
SVO-taal
(de) taal die de
enigszins vaste volgorde onderwerp
(Subject) – werkwoord (Verbum/-a)
– voorwerp(en) (Object) aanhoudt; vb
Engels, maar ook Nederlands in beginsel
syllabe
(de) lettergreep
syllabeschrift
(het)
lettergrepenschrift
synchroon
(bn) betreffende
de verschillen op één moment in de tijd op verschillende plaatsen
syncope
(de) proces van
wegval en lettergreeptrappenvermindering (meestal wegval van onbeklemtoonde
lettergrepen en voltrappen die reductietrappen werden)
syncopetijd
(de) periode van
500 n.Chr.-700 n.Chr. waarin in de oudere Germaanse talen sprake was van een
enorme wegval van onbeklemtoonde lettergrepen (vooral in de laatste positie van
woorden)
syncretisme
(de)
samensmelting; het samensmelten van naamvallen
synoniem
(het)
woordrelatie; twee woorden die hetzelfde betekenen of elkaar in ieder geval
kunnen vervangen; vb janken en huilen
syntaxis
(de) zinsleer
synthese (de) samenhang
T
tantebetje
(het)
[in het Nederlands] onjuiste inversie (in de bijzin)
tau
(de) Griekse
letter < Τ >, < τ >
tautologie
(de) stijlfiguur
tav
(de) Hebreeuwse
letter < ת
>
tegenwoordige
tijd (de) tijd
die een mededelende handeling of een handeling in het heden uitdrukt
tempus
(de) [mv. tempora]
(werkwoords)tijd
tet
(de)
Hebreeuwse letter < ט
>
theta
(de) Griekse
letter < Θ >, < θ >
theta-rol
(de) verplichte thematische rol bij het gezegde; sommige werkwoorden
eisen geen rollen (regenen), maar de
meeste eisen er één of twee. Geven
eist er zelfs drie; vb Ik geef hem een
boek. (3 theta-rollen: ond., meew.vw. en l.vw.), vgl. *Ik geef hem en *Ik geef een
boek, hoewel deze laatste wel correct kan zijn in een bepaalde context, maar
niet als op zichzelf staande zin.
tijd
(de)
werkwoordsgebruik; geeft de plaatsing van het moment van handeling aan
tilde
(de) diacritisch
teken [ ˜ ]; geeft o.a. palatalisering van de /n/ aan in het Spaans, vb mañana
[Spa.], “morgen”
timbre
(de) nasale
variant op een klinker; vb o-timbre ( [ õ ] ) klinkt als in Fra. jeton
toekomende
tijd (de) tijd
die een (mogelijke) handeling in de toekomst uitdrukt, in het Nederlands is dit
een samengestelde tijd met zullen + inf.
toponiem
(het) woord (eigennaam)
dat een plaats aangeeft; vb Maas, Rijn,
Amsterdam, Epe, Grand Canyon
trait-d’union
(de) [Fra.] leesteken; verbindingsteken
transitief
(de)
overgankelijk werkwoord
trap
van vergelijking (de)
alg. benaming voor één van de drie trappen van vergelijking: de stellende trap
(groot), vergrotende trap (groter)
en de overtreffende trap (grootst)
trema
(het) [ ¨ ]; alg. naam van het diacritisch teken bestaande uit twee
gesloten punten op een grafeem; vb een trema heeft de functie van deelteken in
het Nederlands en van umlaut in het Duits
trialis
(de) numerus die
drietallen aangeeft; drievoud
trocheus
(de) stijlfiguur;
soort ritme in de schrijf- en dichtkunst
tsadi
(de)
Hebreeuwse letter < צ
> en als auslaut < ץ
>
tussenletter
(de)
verbindingsletter; vb stationsstraat
tussenvoegsel
(het)
tussenletter
tussenwerpsel (het) opvulling van
de zin met o.a. scheldwoorden, uitdrukking van pijn of dierengeluid; vb au,
ai, foei, miauw, shit
U
uitroepteken
(het) leesteken [
! ] dat een uitroep aangeeft
umlaut
(de) 1
proces van conditionele klankverandering 2 [in het Duits] trema op de /a/, /o/ en /u/
Universal
Grammar (de)
[Eng.] via de taaltheorie van N. Chomsky die stelt dat grammatica iets is wat
universeel is en aangeboren (via een Language Acquisition Device), en het zou
van de input afhangen hoe die grammatica zich intern ontwikkelt (via parameter setting); afk. {UG}
upsilon
(de)
zie: ypsilon
uvula
(de) [Lat.] huig
uvulair (de) huigklank
V
valentie
(de)
1 mate waarin een werkwoord onderwerp en voorwerpen eist 2 mate
waarin een naamwoord affixen (aanvoegsels) kan hebben
velaar
(de) klank die in
het zachte gehemelte gerealiseerd wordt
velum
(het) [Lat.]
palatum molle; zachte gehemelte
verbaal
(het) gezegde (in
de zin)
verbum
(het) [mv. verba] werkwoord; afk. {vb.}
verbindingsstreep
(de) [ - ];
streep die twee woorden verbindt die wel één woord vormen maar niet vast
geschreven kunnen worden, door bijv. klinkerbotsing; vb anti-intellectueel,
zo-even
verleden
tijd (de) tijd
die een afgesloten handeling in het verleden uitdrukt
vocaal
(de) klinker; afk.
{V}
vocaalharmonie
(de)
klinkerharmonie
vocaalmutatie
(de)
klinkerwisseling
vocalisme
(het)
klinkersysteem binnen een taal
vocatief
(de) naamval die
de aangesproken of aangeroepen persoon aanduidt
voltooid
deelwoord (het)
voltrap (de) gewone stand van de lettergreep (meestal met korte
klinker)
voorlopig
onderwerp (het)
onecht onderwerp dat ter afwachting van het echte onderwerp dient; Er
staat een paard in de gang. (er =
voorlopig onderwerp, een paard =
eigenlijk onderwerp)
voornaamwoord
(het) woordklasse;
alg. term voor de woorden die als vervangers kunnen dienen van de zelfstandige
naamwoorden. Men onderscheidt o.a. de persoonlijke,
bezittelijke, wederkerende, onbepaalde en betrekkelijke voornaamwoorden.
voorvoegsel
(het) gebonden
morfeem dat voor de stam geplaatst kan worden
voorzetsel
(het) woordklasse
van o.a. de plaats- en tijdbepalers in de zin; vb op,
in, van, onder, boven, achter, met
voorzetselvoorwerp
(het) voorwerp
dat bij een vaste werkwoordsconstructie hoort; vb Ik
reken op je. (op je =
voorzetselvoorwerp, bij het werkwoord rekenen
(op))
vorm
(de) één van de
mogelijkheden om een woord te buigen en/of te schrijven
vormleer
(de) leer die
zich bezighoudt met handelingen aan de stam
vov
(de) Hebreeuwse
letter < ו
>; ook vav
vraagteken
(het) leesteken [
? ] dat een vraag uitdrukt
vragend
voornaamwoord (het)
vrij morfeem (het) morfeem dat als
los woord kan optreden; vb ga, leef, boek,
dan; to. gebonden morfeem
W
wederkerend
voornaamwoord (het)
wederkerig
voornaamwoord (het)
weglatingsproef
(de) [in het
Nederlands] ezelsbruggetje
werkwoord
(het) woordklasse;
woord dat uitgevoerd kan worden; vb zijn,
ben, weest, doen, gedaan, rijzen, toelaten, liet, reizen, reisden
werkwoordelijk
deel van het gezegde (het)
gezegde zonder de persoonsvorm
werkwoordstijd
(de) zie: tijd
woordvolgorde
(de) volgorde
waarin de woorden staan in een zin
wortel
(de)
absolute stam; het enige betekenisdragende element of morfeem binnen een woord
wortelnomen
(de) [mv.
wortelnomina] zelfstandig naamwoord dat uit slechts de wortel bestaat
wrijfklank (de)
X
X
(de) variabele waarde of tekst
xi (de)
zie: ksi
Y
yod
(de) Hebreeuwse
letter; jod
y-grec
(de) [in het Nederlands] alg. benaming voor de < y >
ypsilon (de) Griekse letter
< Υ >, < υ >; ook: upsilon
Z
zayin
(de) Hebreeuwse
letter < ז
>
zelfstandig
naamwoord (het)
woordklasse; woord waarvoor de of het
kan worden geplaatst
zeta
(de) Griekse
letter < Ζ >, < ζ >
zeugma
(het) stijlfiguur;
treedt op wanneer een onderwerp meerdere persoonsvormen heeft; vb Ik
ben ziek en blijf thuis
zinsbouw
(de) vorm waarin
de zin is opgebouwd; vb Ik ging gisteren
naar huis heeft de zinsbouw {S+V+Atijd+Aplaats}
zinsdeel
(het) deel van de
zin dat met één functie samenvalt; vb De
gedrongen en frivole jongedame uit Japan heeft gewonnen: het zinsdeel de gedrongen en frivole jongedame uit Japan is hier het onderwerp