Maas en Moezel
Namen
hebben soms veel gemeen. Soms overduidelijk zoals in de eigennamen Marco
en Marcus, waarbij alleen de uitgang verschilt, –o als een
mannelijke uitgang in het Italiaans en –us als een mannelijke uitgang
in het Latijn. Dat namen niet altijd even zichtbaar een verband hebben bewijzen
de namen van twee rivieren die door Noord-Europa stromen.
Op
weg van Frankrijk naar Nederland passeerde ik in de streek Lotharingen, in de
omgeving van Metz, kort na elkaar de Maas (Fr. La Meuse) en de Moezel
(Fr. La Moselle). Ik kwam op een idee.
Het Latijnse diminutiefsuffix -ell- valt te
herkennen als overblijfsel in het Franse Moselle, en men kan dus stellen
dat het woord uit de volgende drie delen bestaat:
1 [[[mos]ell]e]
— [[[STAM]DIM.SX]GEN.SX]1
De
stam valt ook te herkennen in Maas, de stamklinker daar gelaten.
2 [[meus]e] — [[STAM]GEN.SX]
Bovendien zijn beide woorden vrouwelijk (la als lidwoord), ze beschikken
beide over de uitgang –e, die vaak (vooral in historische woordenschat)
een vrouwelijke uitgang aanduidt in het Frans, waar het Latijn vaak –a
heeft. Woorden met de Latijnse a-declinatie zijn in veruit de meeste gevallen
vrouwelijk.
3 vgl. Lat. rosa – Fr. rose
De stamklinker is wel gelijk in het Latijn, evenals het geslacht plus
genusuitgang:
4 [[mos]a] – [[[mos]ell]a]
Bovenstaande in beschouwing genomen, wordt gesteld dat Moezel een
verkleinwoord is van Maas.
De zoektocht voor verificatie begint bij het woordenboek. Van Dale geeft aan dat
het woord Maas afgeleid is van het Gallische woord Mosa2.
Ook in het Latijn is Mosā de
variant. Germaanse talen lijken Masō als vorm te hebben.
Verschueren zegt over de Moezel dat het van het
Latijn Mosella komt, dat ‘kleine Maas’ betekent. De Duitse vorm is Mosel.
Ook Holder (1904) en Gysseling (1960) hebben die mening, alhoewel men niet
eensgezind is over de achtergrond van Mosā/Masō.
Holder noemt de achtergrond Ligurisch, en niet Keltisch, terwijl Gysseling en
Van Dale de achtergrond resp. Keltisch en Gallisch noemen. Men mag ervan uitgaan
dat de achtergrond Keltisch is, daar Holder een verouderde bron is en de
literatuur later geen melding meer maakt van de vermeende Ligurische achtergrond.
Het verband is zeer sterk, veel bronnen zijn er niet en
er wordt weinig melding gemaakt van historische achtergronden van woorden. Het
ontbreekt echter aan een verklaring van het verband.
De beste verklaring van de oorsprong van Maas,
en voor ons tot dusver de enige, wordt gegeven door Schönfeld (1955). “In de
klassieke overlevering luidt de door de Romeinen van de Kelten overgenomen naam Mŏsa
[…].
Dit […] werd door de Germanen, hetzij rechtstreeks van de Kelten, hetzij via
de Romeinen, reeds zeer vroeg overgenomen; vandaar met overgang ŏ
tot ă [in Oudgermaans] Măsa, [N]dl. Maas. Dat de
naam oorspronkelijk aan de Keltische bovenloop eigen was, blijkt daaruit, dat
een andere rivier die in de bovenloop de Maas dicht nadert, met een
verkleiningssuffix Mosella ([H]gd. Mosel) werd genoemd. […] De
etymologie van het woord is niet duidelijk; Holder en Carnoy denken aan [de
wortel] mus ‘vochtig zijn’.
” (p.72).
Het verband tussen Maas en Moezel wordt
later uitgediept. “[…], dat suffixen die productief zijn bij appellativa,
ook voor de vorming van waternamen worden gebruikt. Dit gebeurde dan ter
onderscheiding; het suffix deed dezelfde dienst als later in de composita het
adjectief […]. Het is een algemeen verschijnsel, dat – om met Krahe te
spreken – ,,ein Fluss oder Bach einen einfachen Namen führt, der in seinen
Quell- und Nebenbächen mit allerlei differenzierenden Zusätzen wiederkehrt’’.
Schnetz spreekt in zulke gevallen van ‘Gruppenbenennung’. In menig geval
zijn het diminutiefsuffixen of althans achtervoegsels die in de betekenis
dichtbij staan […]. Zo zijn kleine rivieren naar grotere in de buurt genoemd
met behulp van zo’n diminutiefsuffix; meestal zijrivieren, bronrivieren of ook
de bovenloop; soms ook nabije wateren die niet tot het stroomgebied van de
hoofdrivier behoren. Vgl. in Stiermarken Mur: Mürz […], in Duitsland Saale
(uit Sala): Selke (uit Selica); verder de […] paren Maas:
Moezel, Eem: Amer, Dubbel: Duvelhara, Niers: Nerschina.” (p. 88).
Het lijkt er erg sterk op, dat de hypothese juist is,
dat Moezel een verkleinwoord van Maas is. De fonologische
ontwikkeling (de overgang /o/>/a/>/a:/), de morfologie (suffix -ell-)
en de naamgeving is verklaard in Schönfeld (1955).
Gezegd moet worden dat de nuttige bronnen erg oud zijn
en dat er tegenwoordig uiterst weinig aan naamkundig onderzoek wordt gedaan, wat
te betreuren valt. Voor dit artikel zijn erg veel woordenboeken geraadpleegd,
maar slechts een klein percentage (zie bronnen) geeft een – vaak incomplete en
onbeargumenteerde – etymologische achtergrond van namen en andere woorden. (6
mei ’04, TH)
Noten
1 DIM.SX
= diminutiefsuffix, geeft verkleining aan.
GEN.SX
= genussuffix, geeft declinatiemodel en/of
geslacht aan.
2 Het Gallisch is een van oorsprong Keltische taal.
bronnen
— Gysseling,
M., Toponymisch Woordenboek van België, Nederland, Luxemburg,
Noord-Frankrijk en West-Duitsland (voor 1226): Deel I A–M, Belgisch
Universitair Centrum voor Neerlandistiek, 1960.
— Holder, A., Alt-Celtische Sprachschatz: Zweiter Band I–T,
Teubner, Leipzig, 1904.
— Schönfeld, M., Nederlandse Waternamen, Noord-Hollandse
Uitgevers Mij., Amsterdam, 1955.
— Van Dale Groot Woordenboek der Nederlandse Taal, Van Dale
Lexicografie, Utrecht, 12e uitg. 1992.
— Verschueren Groot Encyclopedisch Woordenboek, Standaard
Uitgeverij, Antwerpen.